Cyberpesten en school

1. Ouders, school en cyberpesten

Zelfdoding Duitse jongen (13) na pesterijen via Facebook. Een 13-jarige jongen in Duitsland die gepest werd, heeft zich na het lezen van een kwetsende opmerking op Facebook voor de treinMeisje kijkt naar beneden Photo by Lusi Rgbstock gegooid.  Joel zou samen met zijn beste vriend naar een autotreffen gaan, toen hij vooraf even zijn Facebook-pagina checkte. Tot zijn grote ontzetting zag hij hoe iemand 'Joel, je bent een homo' op zijn pagina geschreven had. De knul liep na het lezen van de boodschap het huis van zijn vriendje uit, recht naar de spoorweg, en ging op de sporen liggen. De 13-jarige jongen was eerder al het mikpunt van spot, onder meer omwille van zijn gewicht en kleren. "Ik wist dat mijn zoon gepest werd, maar ik had geen idee dat het zo erg was", aldus zijn moeder. De vrouw wil ouders bewustmaken van de gevaren van pesten op Facebook. "Het heeft mijn zoon gebroken", aldus de Duitse. "Voor jongeren is wat er op internet en Facebook gebeurt heel belangrijk", aldus Thomas Knüwer, expert sociale media. "De gevolgen van een 'domme uitspraak' op Facebook zijn groter dan die op een speelplaats."  (HBvL 15/02/2011)

1.1. Digitale kloof tussen ouders (leerkrachten) en kinderen.

Er groeit een digitale kloof tussen opvoeders en kinderen. Kinderen leven, als het om televisie, internet en ipods gaat, in een aparte wereld. Ouders hebben vaak geen notie waar hun kinderen naar luisteren of kijken. De digitale kloof wordt momenteel eerder groter dan kleiner. Steeds meer en steeds jongere kinderen hebben een eigen televisie en/of computer op de kamer, webcam, ipod,… Het mediagebruik wordt steeds privater. Ouders haken af omdat ze het te druk hebben of omdat ze denken dat ze toch niet meer kunnen bijbenen. Gescheiden ouders willen hun kinderen voor zich winnen en laten hen alles toe. Er zijn momenteel zeer weinig ouders die beseffen hoe snel de multimediale ontwikkelingen gaan. Ze weten amper wat een Playstation, Ipod, webcam, GSM met camera, etc. zijn, laat staan dat ze weten hoe het werkt of wat de mogelijke risico’s daarbij zijn. Jongeren zijn bovendien momenteel niet alleen mediaconsument, maar ook meer en meer mediaproducent. Ze maken en vergaren hun eigen nieuws, produceren websites met school- of ander nieuws, maken foto’s met hun mobieltjes, schrijven weblogs, maken webcamfilmpjes over school , vrienden en uitgaansleven en verspreiden die via internet, doen online via Google mee aan webcamidols wedstrijden,…In hun enthousiasme staan ze vaak niet stil bij wat ze allemaal doen, houden ze totaal geen rekening met regels omtrent privacy, maken ze persoonlijke dingen bekend, enz.

Jongeren zitten in een levensfase waarbij ze niet altijd nadenken bij de dingen die ze doen. Ze stellen nog veel onverantwoord gedrag omdat ze ook niet altijd op hun verantwoordelijkheid worden gewezen. Tot 18 jaar zijn jongeren in principe niet aansprakelijk voor hun eigen gedrag, maar wel hun ouders. Dit maakt dat jongeren niet altijd beseffen dat ze kwaad kunnen doen met de dingen die ze verspreiden of de handelingen die ze stellen. De Amerikaanse onderzoeker David Walsh ( www.contracostatimes.com ) wijt het onbezonnen gedrag van tieners aan de onvolgroeidheid van de hersenen van tieners. Het gedrag van jongeren, inclusief cyberpesten of onbezonnen internet of GSM gedrag heeft volgens hem te maken met hersenontwikkeling. Ouders en leerkrachten moeten volgens hem zoeken naar wat zich binnen het hoofd van de tieners afspeelt. De hersenen van tieners zijn een werk in ontwikkeling. De gaspedaal is ingedrukt tot op de bodem en de remmen zijn nog in bestelling. Nogal wat ouders denken dat jongeren een voltooide hersenontwikkeling hebben en gaan er vanuit dat ze volwassen gedrag kunnen stellen. Dit is nog niet het geval, oordeelt de auteur. De hersenen hebben dan wel dezelfde maat als dat van hun ouders, het is een feit dat nog niet alle zones even sterk ontwikkeld zijn.

Meisje uit film RemovedVooral de prefontale hersenschors, die als uitvoerend centrum van de hersenen dient is nog niet definitief gevormd. De dramatische verhogingen van testosteron of oestrogeen zijn als het ware versnellingen van de auto waarvan de remmen voor een fiets werden ontworpen predikt de onderzoeker. Dit verklaart waarom tieners vaak handelen zonder na te denken. Het feit dat tienerhersenen zich nog ontwikkelen excuseert geen roekeloos gedrag, maar het maakt het wel begrijpelijker. Ouders en leerkrachten moeten de plaatsvervangende prefontale hersenschors vormen, vertelt Walsh. Vele ouders maken de fout door hun kinderen hun gang te laten gaan. Ouders en leerkrachten moeten meer bewust zijn van de gevaren die kinderen oplopen in hun onbezonnen gedrag o.a. op het internet. Een generatie geleden hingen jongeren op in slechte buurten, pleinen en steegjes. Ouders denken dat hun kinderen veilig zijn als ze op hun kamer rustig achter de computer zitten te chatten. Niets is minder waar. De slechte buurten waar jongeren kunnen rondhangen zijn verhuisd naar de computer en zijn even gevaarlijk. Jongeren worden uitgedaagd om elkaar te pesten via internet, om onbezonnen dingen te doen zoals zich uitkleden voor webcams, door het aanmaken van haatwebsites, enz. Volgens Walsh moeten ouders , leerkrachten en alle andere begeleiders jongeren sturen ook al speelt het leven van de jongeren zich nu niet meer in slechte buurten maar op internet af. Volwassenen moeten kinderen er op wijzen dat ze niet zomaar alles kunnen filmen, beschrijven en versturen. Ze mogen ook niet zomaar alles op internet publiceren, zeker als ze niet zeker zijn dat de dingen waar zijn, want eenmaal berichten op internet terecht komen, gaan ze een eigen leven leiden. Eén foto manipuleren of één alinea weglaten kan al een heel ander beeld geven. Jongeren moeten dit weten.

 
Uiteraard is niet alles negatief. Recent onderzoek liet zien dat mediagebruik zowel positieve als negatieve effecten heeft. Jongeren doen door mediagebruik gespreksstof op en ontwikkelen via internet sterkere relaties. Ouders en opvoeders hebben de verantwoordelijkheid om jongeren op een positieve manier met media te leren omgaan, een vorm van media-educatie. Onder media-educatie kan men verstaan dat ouders, opvoeders en leerkrachten moeten proberen om de positieve kanten van nieuwe media(zoals informatievoorziening en vermaak) te versterken en de negatieve kanten (verslaving, seks, kindermisbruik,…) te dempen. Daarvoor is het op de eerste plaats nodig dat ouders weten waarnaar hun kinderen én tieners kijken, met welke media ze bezig zijn, enz. Durven ouders nog samen met kinderen achter de computer kruipen? Volwassenen zijn vaak bang dat ze een mal figuur slaan omdat ze de nieuwe media niet kennen. Ook dat is een opdracht. Leren hoe de nieuwe media werken en gevaren leren onderkennen zonder bij het minste probleemje in paniek te slaan. Als je tegenwoordig op internet surft kom je bijna op elke pagina wel bloot tegen. Voor jongeren is dit normaal geworden. Volwassenen moeten dit leren relativeren.

Kinderen opvoeden is geen gemakkelijk proces. Ouders moeten leiding geven maar natuurlijk ook durven geleidelijk steeds meer los te laten. Zoals een kind pas leert fietsen als je het loslaat en als het zelf trapt, evenwicht bewaart en richting kiest, zo kan een ouder zijn kind ook op de digitale snelweg niet voortdurend vasthouden. Het kind moet zelf leren omgaan met de mogelijkheden maar ook met de mogelijke gevaren.” Toch is het aangewezen dat ouders in gesprek blijven met hun kinderen. Je moet ook bij oudere kinderen en tieners vragen stellen zoals : ‘Waar ben je mee bezig als je achter de computer zit? Hoe gaat dat precies? Mag ik eens meekijken hoe je dat doet?’ Je moet de vragen stellen zonder wat je te zien of te horen krijgt meteen af te keuren of te verbieden want dan gaan jongeren het beschouwen als bemoeienis of zeker niets meer vertellen over wat hen bezighoudt.
 

Het verdient aanbeveling dat scholen of organisaties ouderavonden organiseren waar ze leren omgaan met computer, met internet en met de programma’s waarmee jongeren werken om te zienJongeren op straat Photo by Gerard Gielen hoe ze hun kinderen het best kunnen begeleiden. In een aantal scholen laat men de leerlingen les geven aan de ouders over hoe internet werkt, hoe Msn werkt, hoe chatten gebeurt, de veiligheid van wachtwoorden, enz. Maar ook thuis kunnen kinderen hun ouders informeren. Wanneer ouders daar onbevooroordeeld voor open staan, zijn jongeren ook bereid om de risico’s te leren inzien als ouders vinden dat er gevaarlijke dingen aan het gebeuren zijn.

1.2. Tweederde jongeren helpt ouders op internet

Een Nederlands onderzoek geeft aan dat ruim tweederde van de Nederlandse jongeren hun ouders helpt op internet. Een kwart van de jongeren geeft aan dat hun ouders dat niet nodig hebben. Dat blijkt uit het Youth Report, een enquête onder ruim 13.000 leden van online community Sugababes.nl /Superdudes.nl , in de leeftijd 13 t/m 24 jaar. De omgekeerde wereld die internet heet, waarin kinderen hun ouders wegwijs maken in plaats van andersom, is voor de jongeren een hele natuurlijke. Ze begrijpen dat ouders en leerkrachten hier niet altijd even goed in thuis zijn, en zijn dan ook niet te beroerd om hun rol als opvoeder ter hand te nemen. Joyce (14): "Ik help mijn moeder altijd met alles! Ze snapt sommige dingen niet echt goed, dus leg ik haar veel dingen uit."

Meer dan de helft van de jongeren internette wel eens samen met hun ouders. In iets meer dan de helft van die gevallen ging het om nuttige dingen als internetbankieren, 13 procent deed uitsluitend leuke dingen met zijn/haar ouders op internet. Gevraagd naar hoe zij hun eigen kinderen later op zouden voeden als het gaat om internetgebruik, kwamen ‘vrijheid’ en ‘privacy’ veel voor in de gegeven antwoorden. Kevin (16): "Mijn ouders geven me privacy, zo wil ik het ook doen met mijn kinderen, dat vind ik heel belangrijk. Ik zou ze wel vertellen dat als ze ergens mee zitten, ze er gewoon over moeten praten." Ook zouden veel jongeren hun kinderen leren voorzichtig te zijn met persoonlijke gegevens. Donna (13): "Net als mijn ouders zou ik zeggen: niet je adres en telefoonnummer op internet zetten, maar foto’s mogen wel. En niet de hele dag achter de pc zitten." ( http://www.nu.nl/ )

1.3. Hoe voorkomt men pesten. Het voorbeeld geven.

• Wie de leerkracht vraagt om zijn kind in de klas zeker niet naast Ellen, Bart of Hakim te zetten, geeft zijn kind het signaal dat uitsluiten mag.
• Hoe gaan we thuis om met elkaar (schelden, roepen, tieren)? Wie thuis weinig belangstelling krijgt, heeft grotere kans om treiteraar te worden. Ouders die zelf lijfstraffen uitdelen, lopen het risico dat hun kinderen vlugger geweld gebruiken.
• Bekijk kinderen als vol, praat met hen, geloof hen,vertrouw hen, geef ze verantwoordelijkheid. Dat geeft zelfvertrouwen en voorkomt frustraties en agressie.
• Leer kinderen thuis vaardigheden als opkomen voor zichzelf, hun gedacht zeggen, zich inleven in andere kinderen/volwassenen, omgaan met gevoelens als tegenslag
• Zorg voor een goede dialoog tussen ouders en school. Werk samen met de school een pestactieplan uit. De afspraken op school kunnen ook thuis gelden. (Bron :  www.klasse.be  )

1.4. Ouders, de school en cyberpesten

Jongen piekert Photo by Duchessa RgbstockOp het internet is veel informatie te vinden over hoe je met pesten op school om kunt gaan (zie lijst met websites en de website www.cyberpesten.be ). Er is informatie voor slachtoffers van pesten, voor individuele ouders, voor individuele leerkrachten of voor school als geheel. Waar het daarbij altijd hoort te gaan en veelal gaat is hulp aan het slachtoffer en het vormgeven van beleid op school om pesten terug te dringen en vervolgens voor te zijn. Elk kind heeft recht op een veilige schoolomgeving. En wanneer er op school niet meer wordt gepest hebben leerlingen én leerkrachten daar baat bij. Een middel om het cyberpestenprobleem aan te pakken is het ter sprake brengen bij ouderavonden of in de ouderraad op school. Hoe kunt u het onderwerp 'pesten' ter sprake brengen in de ouderraad van uw school?
Als u zelf niet in de ouderraad zit, kunt u aan iemand die daar wel deel van uitmaakt, vragen om het aan de orde te stellen. U kunt ook voorstellen om zelf het punt toe te lichten.

 Als u zelf deel uitmaakt van de ouderraad kunt u het onderwerp aankaarten in de rondvraag. Voordeel daarvan is dat het niet meteen een zware lading krijgt. Nadeel is dat aan het eind van de vergadering de meeste mensen niet zoveel aandacht meer kunnen opbrengen. U kunt het ook als afzonderlijk punt op de agenda laten opnemen, dan moet u tevoren overleg plegen met de voorzitter of de secretaris. Samen kunt u dan bekijken wat de handigste manier is om het onderwerp ter sprake te brengen.
Het is belangrijk om te bedenken wat u wilt bereiken met het aan de orde stellen van dit punt.

Is er een directe aanleiding die vraagt om actie, bijvoorbeeld een groepje kinderen dat andere kinderen pest? Vertel dan zo zakelijk mogelijk wat er volgens u aan de hand is. Geef aan dat er naar uw indruk spoedig iets moet worden ondernomen. Geef de andere ouders de kans om na te denken over mogelijke oplossingen, maar let er wel op dat er concrete afspraken worden gemaakt om actie te ondernemen.
Het kan ook zijn dat u vindt dat de school zich actiever moet bezighouden met het onderwerp pesten, zonder dat daar een directe aanleiding voor is.

Punten die u zou kunnen aangeven:
Pesten komt veel voor, vooral op scholen en waarschijnlijk ook op onze school.
Kinderen die gepest worden gaan bang naar school. De angst voor anderen blijft soms hun hele leven doorspelen.
Als school moet je ervoor zorgen dat kinderen zich veilig en prettig voelen. Daarom zou er een actief anti-pest-beleid moeten zijn.Klaslokaal
Onze school is niet de enige die zich hiermee bezighoudt (verwijs hierbij naar scholen die een pestprotocol hanteren indien de school van uw kinderen dat nog niet heeft).
Je kan gebruik maken van materiaal en ideeën die er al zijn, bijvoorbeeld brochures laten zien of verwijzen naar websites. De website www.klasse.be heeft zowel voor ouders als voor leerkrachten een katern uitgebracht met informatie over cyberpesten..

Naar aanleiding van dit verhaal zal zeker een discussie ontstaan. Als je merkt dat je idee ondersteuning krijgt, probeer dan te komen tot een werkgroepje dat met voorstellen kan komen. Het kan een werkgroepje worden van ouders of een gemengde werkgroep waar ook leerkrachten inzitten.
Er zullen hoogstwaarschijnlijk opmerkingen komen over de ouders van pestende kinderen die hun kinderen niet goed opvoeden, over gepeste kinderen die meer van zich af moeten bijten en over het feit dat kinderen nu eenmaal graag pesten. Ga daar niet te veel op in, maar houd vast aan de stellingname dat de school verantwoordelijk is voor het bieden van veiligheid aan de kinderen. Er zullen zeker ouders zijn die u daarbij steunen.

1.5. Praten met de leerkracht

Pesten gebeurt veelal op school. Het is belangrijk om met de leerkracht te gaan praten als u merkt dat uw kind wordt gepest op school of als u zich zorgen maakt over de onveilige sfeer op school.
U doet er verstandig aan de leerkracht op te bellen of even langs te gaan om een afspraak te maken. Daardoor merkt de leerkracht dat u het belangrijk vindt om er over te praten. Zij of hij kan er dan echt de tijd voor nemen.
Vertel dat u zich zorgen maakt over hoe de kinderen met elkaar omgaan. Geef de leerkracht de gelegenheid om haar of zijn indruk te geven, maar laat u niet van uw punt afbrengen. Als u zich zorgen maakt, heeft u er recht op dat dit serieus wordt genomen.
Het heeft geen zin om de leerkracht te beschuldigen dat zij of hij het niet goed doet. Het is wel belangrijk om het gevoel over te brengen dat uw probleem ook het probleem van de leerkracht is. De beste uitkomst van het gesprek is als u en de leerkracht afspreken om beiden aandacht te zullen besteden aan het pestprobleem: de leerkracht op school en u thuis.

1.6. (Cyber)pesten ernstig nemen 

Pesten is geen eenvoudig probleem. Daarom lijkt het vaak onoplosbaar. Toch is pesten wel te bestrijden als het serieus wordt genomen. Meisje Photo Barca by Patkiska Rgbstock
Dat betekent dat kinderen moeten weten dat ze om hulp kunnen aankloppen bij de volwassenen om hen heen. Voor volwassenen betekent het, dat ze aandacht moeten hebben voor de signalen van de kinderen. Ze moeten luisteren naar wat de kinderen te vertellen hebben en daar over praten. Voor leerkrachten en begeleiders van groepen in de vrije tijd betekent het dat ze groepsgesprekken moeten voeren, regels moeten afspreken en zorgen dat die regels ook werken.
 
Het pestprobleem wordt lang niet altijd serieus aangepakt: ouders zeggen dat een kind maar van zich af moet bijten, leerkrachten hebben het te druk en de trainer vindt het zijn verantwoordelijkheid niet.
Als volwassenen alleen af en toe ingrijpen, kan dat verkeerd uitpakken. Gepeste kinderen worden daarna nog meer het slachtoffer omdat ze 'geklikt' hebben.
Daarom is het belangrijk om het pestprobleem degelijk aan te pakken. Daarbij zijn alle betrokkenen nodig. Ieder van hen kan een begin maken met het oplossen van het pestprobleem.

Kinderen die worden gepest kunnen beginnen door met hun ouders, leerkrachten of andere vertrouwde volwassenen te gaan praten. Ze kunnen ook om raad vragen, bijvoorbeeld bij de kindertelefoon.
Andere kinderen kunnen bij hun ouders of leerkrachten aankaarten dat er gepest wordt.
Ouders kunnen met hun kinderen gaan praten en het probleem met andere ouders, op school of in de speeltuin bespreken.

Leerkrachten kunnen het pesten als algemeen probleem regelmatig in hun klas bespreken. Ze kunnen proberen in de klas een open en vriendelijke sfeer te creëren. Concrete pestsituaties kunnen ze met de betrokken kinderen bepraten. Samen met hun collega's kunnen ze werken aan een schoolbeleid rond sociale regels en pesten.
De directie van een school of buurthuis, het bestuur, de ouderraad of de medezeggenschapsraad kunnen de manier van omgaan bespreken en toewerken naar een beleid daarover.

Begeleiders van groepen, trainers en anderen die te maken hebben met kinderen buiten schooltijd, kunnen het pesten met de kinderen bespreken. Ze kunnen proberen de samenwerking tussen de kinderen bevorderen.
Anderen, zoals de wijkagent of de schoolarts, kunnen sociale problemen tussen kinderen die zij hebben geconstateerd aan de orde stellen in hun contacten met scholen en buurthuizen. Ook kunnen zij door hun bijzondere positie soms net een andere invloed uitoefenen op de kinderen dan leerkrachten en begeleiders.
(Bron : http://lessen.cyberstar.nl/ )

1.7. (Cyber)pesten en de media

De media (kranten, tijdschriften, televisie, film,…) kunnen een positieve rol spelen in het verhelpen en sensibiliseren rond (cyber)pesten. Elders schreven we dat pestspelletjes zoals Bully (of de Belgische naam Canis Canem Edit) pesten in de hand werken door pestgedrag als normaal en populair voor te stellen, ook al is de pestkop in het betrokken spel niet zo’n negatief iemand als het spel aanvankelijk liet uitschijnen. Berichten over de zin of onzin van deze computerspelen, maar ook het in de media brengen van pestverhalen en het wijzen op de dramatische gevolgen voor daders en de omgeving maar ook de sancties die volgen voor de daders als het ontspoort, zijn positieve signalen om pestgedrag onder jongeren te bestrijden. Het is dan ook toe te juichen dat de VRT in het Eén-programma ‘Thuis’ pesten onder jongeren expliciet onder de aandacht brengt. Los van de vraag in hoeverre pestkoppen en gepeste jongeren naar deze soap kijken, is het onder de aandacht brengen op zich een goede zaak om preventief op te treden, maar ook om slachtoffers aan te sporen melding te maken van het probleem aan ouders, leerkrachten of vertrouwenspersonen. Heel wat pestgedrag blijft immers verborgen.
Het is niet de eerste keer dat Thuis inspiratie haalt uit een maatschappelijk probleem. Vorig seizoen raakte Sophie, gespeeld door Lien Van de Kelder, verslaafd aan drugs. Niet iedereen is hetKasper in Thuis VRT eens over deze aanpak, al willen de betrokkenen vooral de discussie tussen ouders en kinderen voor de buis een duwtje geven. Deze keer over steaming, ofwel jongeren die elkaar geld afpersen onder druk van geweld. Het schoolmagazine Klasse hielp de scenaristen met de research.
 
In de serie ‘Thuis’ is Kasper, de mysterieuze pleegzoon van Waldek slachtoffer van pestkop Kevin. Waldek kreeg een bijzondere band met Kasper omdat hij van Tsjetsjenië afkomstig is, waar zijn ouders gedood werden. Omdat hij zich sedert enige tijd zo eigenaardig gedraagt, denken Waldek en Rosa eerst dat het Tsjetsjeense trauma opnieuw de kop opsteekt, want hij heeft er mensen zien doodschieten. Maar dat hij liegt en steelt is typisch voor een slachtoffer van steaming want die moet geld bijeenkrijgen voor zijn afpersers. Steaming begint vrij onschuldig, eerst met wat verbale agressie. Maar het gaat dan van kwaad naar erger. Kasper komt thuis met een blauw oog, zijn brooddoos wordt hem afgepakt, de laatste dagen wordt hij afgeperst : hij moet met honderd euro op de proppen komen, anders dreigen Kevin en zijn kompanen zijn paard, dat hij zo graag heeft, iets aan te doen. 

Ook Jana wordt op school gepest in Thuis, zie filmpje.

2. Aanpak van pesten op school

2.1. Getuigenis

Katrien werd vorig jaar het slachtoffer van zware pesterijen in de klas. Op het hoogtepunt durfde ze twee weken lang niet meer naar school, nu gaat het weer beter met haar.
Het stinkt hier. Zullen we niet wat verderop gaan.'' Dat zeiden Katriens (13) klasgenoten als ze bij hun groepje kwam staan. Na de lessen lichamelijke opvoeding moest Katrien haar natte boekentas uit de douches vissen. En bij het omkleden had ze heel de kleedkamer voor haar alleen, want de anderen waren al vertrokken zonder haar. ,,Aan het begin van dit schooljaar is het begonnen'', zegt Katrien. ,,Ik denk dat mijn klasgenoten mij als slachtoffer hebben gekozen omdat ik meestal niks durf terug te zeggen. Ik ben nogal stil.''

Het treiteren ging van kwaad naar Meisje uit film Removederger. Katrien zat in een klas van 20 leerlingen, waaronder een paar echte pestkoppen. ,,Maar op een bepaald moment kozen ze allemaal partij voor de pestkoppen, waardoor het voor mij nog moeilijker werd.''

De bom barstte toen Katriens beste vriendin opeens ook aan de kant van de pesters stond. ,,Mijn vriendin had een los velletje aan haar vinger dat bloedde. Ze kwam met opgeheven vinger naar me toe, om met opzet bloedvlekken te maken op mijn broek.'' Huilend ging Katrien naar huis, maar haar moeder vertellen wat er aan de hand was, wilde ze niet. Na veel vragen van haar mama deed ze een paar dagen later toch haar verhaal. Haar moeder was er het hart van in: zij was zelf altijd gepest, en wist dus precies wat haar dochter doormaakte.

Mijn moeder heeft meteen gezegd dat we een oplossing zouden vinden. Ze stelde voor om van school te veranderen, maar dat wilde ik eigenlijk niet. Op deze school kende ik alles, ergens anders zou ik helemaal opnieuw moeten beginnen.'' Katrien zag het allemaal niet meer zitten. ,,Ik ging naar de dokter en die schreef me pilletjes tegen een depressie voor.

Maar ik bleef weigeren nog naar de klas terug te keren.'' Intussen trok Katriens moeder aan de alarmbel. Ze lichtte de school in en samen besloten ze de pesters apart te laten spreken met Katrien. ,,Op een avond zijn vier van mijn klasgenoten naar ons thuis gekomen. Eerst wilde ik niet naar de voordeur, omdat ik bang was dat ze weer vervelend zouden doen. Maar daarna hebben mijn mama en ik gezegd dat we het niet leuk vonden zoals ze mij behandelden.'' Toen Katrien daarna weer naar de klas ging, verliep alles een stuk vlotter. ,,Mijn beste vriendin is gewoon weer mijn beste vriendin. Ook de pesters zijn er grotendeels mee opgehouden. Als we een groepswerk moeten doen, vragen ze soms of ik bij hen kom zitten. Ze zullen nooit mijn beste vrienden worden, maar we kunnen tenminste weer samen in de klas zitten.'' (Het Nieuwsblad 20/02/2006)

Cartoon pesten2.2. Pesten is vooral een schoolaangelegenheid

Pesten komt het meeste voor in de schoolomgeving. In het bovenstaande voorbeeld gebeurde het pesten op school. Bij cyberpesten wordt het kind thuis online gepest , maar dan nog vertrekt het pestgedrag meestal vanuit de medeleerlingengroep van de schoolsituatie. Kinderen brengen immers de meeste van tijd door op de schoolbanken en vriendschapsrelaties ontstaan bij kinderen en jongeren bijna altijd vanuit de schoolsituatie. Daardoor werkt het het beste als de school het pestprobleem detecteert en er iets aan doet. Maar scholen voelen zich niet altijd verantwoordelijk voor wat er buiten de schoolmuren gebeurt. Omdat cyberpesten zich meestal in een virtuele wereld gebeurt, distantiëren nogal wat scholen zich van het gebeuren. Men verbiedt dat GSM op school opstaat en sommige scholen blokkeren de toegang tot chat of MSN en menen dat daarmee de verantwoordelijkheid van de school eindigt.

Uit een studie bij 15-jarigen van het onderwijstijdschrift Caleidoscoop blijkt er bij vele leerlingen een soort pestmoeheid opgetreden is. 17 procent van de leerlingen in de makkelijke klassen vindt het niet erg dat er gepest wordt. (De Standaard 08/02/2006) In de moeilijke klassen staat zelfs 23 procent neutraal tegenover pesten. Caleidoscoop is het tijdschrift van de koepel van vrije Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's) ( www.caleidoscoop.be ). Hoofdredactrice Linda Graindourze koppelt aan het onderzoek een waarschuwing voor de scholen en stelt dat veel leraars de inspanningen tegen pesten op school beu lijken te zijn. Nochtans bewijzen volgens haar deze gegevens dat blijvende aandacht nodig is. Ook de andere reacties tonen niet bij iedereen verontwaardiging. Iemand uitlachen of iemand tegen zijn zin iets laten doen, is blijkbaar bij het leven van alledag beginnen horen. Leerlingen ervaren het als gewoon. In de moeilijke klassen zijn er enkelen die het uitlachen uitdrukkelijk toejuichen (6,5 procent). Eén op de vijf leerlingen staat er neutraal tegenover.

In moeilijke klassen ligt één op de vier leerlingen er niet van wakker. Op de vraag of het goed is dat iemand bij pestgedrag durft tussenbeide te komen, antwoordt één op de vijf leerlingen neutraal. In de gemakkelijke klassen daalt dat aandeel tot 13 procent. Meer dan één op de drie leerlingen blijft onverschillig wanneer een leerling een ander dwingt om iets te doen wat die niet leuk vindt. In de gemakkelijke klassen zijn dat ook nog een kwart van de leerlingen. Volgens Graindourze moeten scholen ervoor zorgen dat ze niet te lichtzinnig met het fenomeen pesten omspringen. Uit de cijfers blijkt dat zowel in moeilijke als in makkelijke klassen pestgedrag niet zomaar afgekeurd wordt. Leerkrachten gaan er dus best niet vanuit dat het vanzelfsprekend is dat iedereen tegen pesten is. Het onderzoek doorprikt wel de stelling dat in een klas die de boel op stelten zet, de leerlingen zich amuseren. Opvallend is dat de zogenaamde macho’s, de leidersfiguren die de toon aangeven, niet zo gelukkig zijn als men zou denken. Ze hebben een minder goede relatie met de leerkrachten, zetten zich minder in voor hun taken en in de moeilijke klassen voelen ze zich het minst goed op school. (HBvL 8/02/2006)

2.3.Impact van internet en email op schoolse leven „Huiswerk lijdt onder internet”

Internet en andere digitale media hebben een enorme impact gekregen op het schoolgebeuren. Niet alleen is er het probleem van het cyberpesten. Het hele schoolse leren staat onder invloed van wat er zich op de digitale snelweg afspeelt. Een onderzoek bij 1107 Nederlandse leerkrachten geeft aan dat bijna alle leerkrachten van basis- en middelbare scholen zich zorgen maken over de risico’s die leerlingen lopen tijdens het gebruik van internet. Leerlingen zelf geven aan dat vooral hun huiswerk lijdt onder hun internetgedrag. Het midden december 2005 in Nederland gepresenteerde onderzoek onder zowel leerlingen als leerkrachten van basis- en middelbare scholen over het internetgedrag maakte alvast één ding duidelijk: het wereldwijde web wordt niet langer onbekommerd in de armen gesloten. Meer gesprekken over online fatsoen, een betere opleiding van leraren en meer voorlichting aan ouders zijn de meest genoemde wensen voor een veiliger internet. Scholen staan zeker niet negatief tegenover internet. Integendeel : praktisch alle scholen moedigen het aan. Twee op de drie scholen stimuleerden het gebruik van internet. Bijna alle scholen hadden inmiddels ook toegang tot internet. In de hoogste jaren de Nederlandse basisschool hadden de meeste leerkrachten zelfs toegang tot internet in hun eigen klaslokaal (84 %). Meer dan de helft van de scholen had een eigen internetprotocol.Drepressed girl By Lusi RGBstock

De meest voorkomende gedragsregels waren onder meer een verbod op het bezoek van pornografische websites en grof taalgebruik. Minder dan de helft van de scholen had een of meerdere filters geïnstalleerd. De meest gebruikte filter was die op pornografische afbeeldingen. Relatief veel middelbare scholen hadden filters op chatboxen en msn maar niet altijd om pedagogische redenen. Vaak blokkeren scholen ook die programma’s omdat ze het netwerk enorm belasten. Vrijwel alle leerkrachten gaven aan dat ze kinderen tijdens de les wel eens informatie laten zoeken op internet. Op de basisschool gebeurde dit meer dan in het middelbaar onderwijs.

Er werd in de klas weinig gesproken over wat kinderen allemaal doen op internet: slechts een kwart van de leerkrachten zei dit vaak te doen. Ondanks de populariteit van internet was voorlichting over (on)veiligheid geen structureel onderdeel van de lesprogramma’s. Bijna alle docenten vonden dan ook dat hun school extra maatregelen moest nemen om de internetveiligheid van leerlingen te verbeteren. Vrijwel alle docenten vonden de voorlichting overigens primair een taak voor de ouders. Leerkrachten maakten zich met name zorgen over internetrisico’s als seksuele intimidatie en digitaal pesten. Ook de risico’s van seksuele intimidatie baarden met name leerkrachten van middelbare scholen veel zorgen (79 %). Bijna de helft van docenten van basisscholen was er ongerust over dat leerlingen websites met pornografische afbeeldingen bezoeken. Vooral middelbare scholieren maakten ook stiekem gebruik van internet: twee op de drie leerlingen zei wel eens tegen de regels in spelletjes te spelen, te msn’en of te mailen op school.
 

Gevraagd naar het meest vervelende aspect van internetgebruik gaven leerlingen aan dat ze vanwege internetten minder tijd hebben voor het maken van huiswerk. Een kwart van de middelbare scholieren maakte dit zelfs vaak mee. In totaal gaf 87 % van de leerlingen aan op internet regelmatig vervelende dingen te beleven, zoals misbruik van wachtwoorden. De meeste van de 1107 ondervraagde leerkrachten vonden van zichzelf dat ze genoeg kennis hebben over internet om hun leerlingen optimaal te begeleiden. Bijna de helft van de middelbare scholieren had nochtans het idee dat hun leerkracht niet weet wat zij allemaal op internet doen. Vrijwel alle leerkrachten maakten vaak gebruik van internet om te mailen of om informatie te zoeken. Zowel leerlingen van de basisschool als middelbare scholieren gebruikten internet vooral voor gamen, surfen, msn’en en e-mailen. Msn’en was veruit de meest gebruikte internettoepassing onder leerlingen: 84 % van de middelbare scholieren en 63 procent van de basisscholieren gaf aan dit vaak te doen. (Reformatorisch Dagblad 14/12/2005)

2.4. Scholen zijn meer betrokken dan ze denken.

Scholen stimuleren leerlingen om internet te gebruiken en zelfs msn of digitaal uitwisselen van informatie via digitale leeromgevingen wordt aangemoedigd. Maar wanneer het gaat om misbruik van internet bijvoorbeeld bij cyberpesten zijn er een aantal scholen die zich terug trekken of aangeven dat deze zaken wanneer ze buiten de school gebeuren niet tot de verantwoordelijkheid van de school behoren.

In de VS was er een casus waarbij een meisje van 13 jaar herhaaldelijk via email gepest werd. “Je kent mij niet, maar ik zie en volg jou overal. Bij jou thuis, op school, in de winkel, op straat, je kunt je nergens meer veilig voelen…slaap met je ogen open, want op een dag zal ik je aanvallen en dan ben je dood.” Het meisje kreeg zo herhaaldelijke dreig-emails en lichtte ten einde raad haar ouders in. Die schakelden de lokale politie in, maar slaagden er niet om de afzender van de emails te traceren. Na maanden terreur, waarbij het meisje herhaaldelijke keren ziek thuis bleef ontdekte men de afzenders. Het bleken vier van haar klasgenoten. Ze hadden zichzelf verraden omdat ze haal mailden dat ze beter dood zou gaan dan ziek zijn. Zo konden de speurders achterhalen dat het ging om medeklasgenoten, want niemand anders wist dat het meisje thuis was. De ouders klaagden de school aan omdat ze vonden dat deze verantwoordelijk was voor al het leed, maar de school distantieerde zich van het volledige gebeuren omdat er geen enkele mail van school uit werd verstuurd. De vier betrokken jongens hadden alle mails van thuis of vanuit een openbare bibliotheek verzonden. De school zelf had alle maatregelen genomen om haar netwerk te beveiligen zodat het pesten niet van daaruit kon gebeuren en had ook enkele lessen aan pesten gewijd. Het kwam tot een proces, maar de ouders verloren dit omdat de school geen verantwoordelijkheid in het hele gebeuren droeg.

In een ander voorbeeld onderging David Knight een gelijkaardige nachtmerrie. Hij werd al lang gepest en geplaagd en na een tijdje werd het offline pesten gevolgd door online pesten. David vertelde zelf aan CBC National News dat hij het veel erger vond om via internet gepest te worden dan dat het gewoon op school gebeurde. Studenten van zijn school hadden een website opgezet die overladen was met spotfoto’s, vernederingen, beledigingen, enz. Dit was erger dan even voor spot staan in een cafetaria voor 30 medeleerlingen, nu stond hij voor spot bij miljoenen internetgebruikers. Ook hier spanden de ouders een proces in tegen de websiteprovider en de school. Het duurde zes maanden vooraleer de website uit de ether werd gehaald en ook deze school had geweigerd om haar verantwoordelijkheid te nemen omdat ze vonden dat dit zich louter en alleen afspeelde in het privé-leven van de student en ze daar niet voor konden sanctioneren in de school zelf.
(Shariff, 2004)

De meeste spraakmakende rechtszaken hebben tot nu toe alleen plaatsgevonden in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De zaken richtten zich vooral op de rol van scholen in pesterijen. Een Amerikaanse rechter veroordeelde een school tot het betalen van een miljoen dollar smartengeld. Een Engelse school moest ongeveer een ton betalen aan een kind dat voortdurend door klasgenoten werd gepest. In Nederland was er in 2001 een rechtszaak tegen de scholengemeenschap Het Baken in Almere De dochter (20) en zoon (18) van mevr Van Tilborg, allebei ex-leerlingen van deze school, waren jarenlang gepest. Ook al drong Van Tilborg regelmatig aan op maatregelen, het pesten ging gewoon door. Pas nadat haar zoon was overgestapt naar een school in Bussum hield het pesten op. 'Maar nu nog steeds worden we met de gevolgen geconfronteerd. Pesten is bepalend voor je lot.'  De school in Almere ontkende dat er een probleem was.

Depressed girl By Lusi RGBstockDeze voorbeelden illustreren de muur van verdediging die slachtoffers ervaren wanneer ze op school een cyberpestprobleem signaleren. Shariff (2004) noteert dat bij de gevoerde processen in de VS scholen steeds met een defensieve houding naar buiten traden wanneer slachtoffers hun hulp zochten. Scholen gaven aan dat ze juridisch niets konden doen tegen het probleem en dat er op school zelf nooit problemen vastgesteld konden worden en de betrokken daders zich daar voorbeeldig gedroegen. Ouders van slachtoffers getuigden verder dat wanneer men leerkrachten of administratieve medewerkers om hulp vroeg, deze dikwijls aangaven dat het slachtoffer het pestgedrag zelf uitgelokt had, het probleem buiten alle proporties werd opgeblazen door de ouders en het slachtoffer en men het moest leren relativeren en dat de school geschreven een geschreven anti-pestbeleid had voor pesten op school zelf. Nader onderzoek toonde aan dat de Amerikaanse scholen vaak amper op de hoogte waren van hun precieze verantwoordelijkheid wanneer er ernstige pestgedrag plaatsvond. Ze hadden kasten vol met educatief materiaal om preventief met pesten om te gaan, maar hadden geen strategieën waarin was genoteerd welke stappen precies konden gezet worden als pestgedrag zich voordeed en zeker wanneer dit buiten de schoolmuren gebeurde.

Gepest meisje krijgt forse schadevergoeding. ,,Ik kon niet door de gang gaan zonder een gemene opmerking te moeten slikken of een duw te krijgen." Vanaf haar vierde levensjaar werd de nu 23-jarige Sophie Amor geplaagd omwille van haar gewicht, bespuwd en aangevallen. Na twaalf jaar procederen heeft ze een schadevergoeding van 20.000 pond gekregen omdat ze als kind jarenlang fysiek en geestelijk werd gepest op school. Panische angstaanvallen en zweetbuien waren dagelijks mijn deel", zegt Sophie Amor.
,,Na verloop van tijd sloot ik me helemaal af. Ik kon een knop omdraaien waardoor ik in mijn eigen wereldje kon schuilen voor de ondraaglijke realiteit rondom mij. Het was de enige manier om het vol te houden tot aan de verlossende schoolbel." Sophie was amper negen toen ze probeerde zelfmoord te plegen door een overdosis pillen in te nemen tegen epilepsie. Op haar veertiende werd ze officieel als depressief bestempeld en weggehaald uit het gewone schoolsysteem. ,,Ik zou wat ik heb geen leven durven noemen", zei ze. ,,Ik besta.
Ik kom niet uit mijn huis uit vrees de pestkoppen tegen het lijf te lopen. Ik haat mezelf om wie ik ben maar ik kan er tegelijk niks aan veranderen." Sophies moeder Isabel (55) onderhield regelmatige contacten met de schooldirectie maar zegt dat ze geïntimideerd werd door de situatie. ,,Sophie is intelligent, maar in plaats van goede resultaten te behalen op school was ze doodsbang om er in de buurt te komen." Langzaam gleed het kind helemaal weg in zichzelf. Nu, twaalf jaar later, heeft Sophie Amor 20.000 pond (ongeveer 12.000 euro) gekregen van de gemeente Torfaen, de inrichtende macht van het schooltje.
De gemeente geeft toe dat haar verzekeraar een minnelijke schikking heeft getroffen, maar ontkent de aansprakelijkheid voor het pestgedrag. ,,Alle scholen in Torfaen hebben stevige antipestplannen met duidelijke richtlijnen." De Britse vereniging van gemeenten ziet een gevaarlijk precedent in de regeling. ,,Het is nogal duidelijk dat honderden andere mensen die vinden dat ze gepest werden, hun kans ruiken om ook een schadevergoeding te bekomen. Maar de belangrijkste les die we hieruit leren is dat pesten ernstig moet worden genomen door scholen, bedrijven, lokale besturen en de hele maatschappij. We mogen het niet minimaliseren." (Geert Neyt in De Standaard 22/02/2006)

Voor Vlaanderen en Nederland zijn er tot op heden geen juridische precedenten naar jongeren inzake pestgedrag. In Canada was er een juridische kwestie naar aanleiding van de zelfmoord van tiener Dawn Marie Wesley. Dawn hing zichzelf op na een lange periode van gepest worden. De directe aanleiding was een bedreigende telefoon via GSM. Haar klasgenote die de fatale telefoon deed, getuigde dat ze niet de intentie had om Dwan te kwetsen toen ze haar toeschreeuwde ‘You’re fucking dead!’. De lokale rechtbank Britisch Columbia Supreme Court creëerde een precedent door te bepalen dat verbale vernederingen en beledigingen onder het Canadese strafrecht vallen indien het slachtoffer zich effectief door de verbale boodschap bedreigd voelt en er daardoor slachtoffers vallen. Het meisjes was minderjarig, maar ouder dan 16 zodat ze een voor haar leeftijd aangepaste veroordeling opliep door de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat haar verbaal gedrag mede oorzaak was voor de dood van het slachtoffer.

In België zijn er geen gelijkaardige gevallen bij jongeren bekend, maar is er wel het verhaal van de postbode David van Geysel die in 2000 zelfmoord pleegde. In een afscheidsbrief stelde hij dat het gepest van zijn collega's niet meer aankon en dat hij geen gehoor vond bij zijn superieuren. Van Gysel moest stelselmatig de zwaarste rondes rijden en werd voortdurend op de huid gezeten door zijn collega's. Later bleek dat zijn klachten niet op de juiste bureaus terechtkwamen. De ouders van de jongen dienden klacht in tegen de postmeester, diens adjunct en vier postbodes. Ondanks gesus van de postdirectie bevestigt in juni 2001 het Brusselse parket dat de jongeman wel degelijk op zijn werk gepest werd en dat hem dat tot zijn wanhoopsdaad kan hebben gedreven.
Op 14 januari 2002 worden zes collega's van de jongeman én De Post zelf door de Brusselse onderzoeksrechter Bruno Bulthé in verdenking gesteld voor stalking en het niet verlenen van hulp aan een persoon in nood. Op 20 januari 2004 krijgen de vijf na een lange juridische procedureslag een zwaardere straf dan het Openbaar Ministerie heeft geëist: vier krijgen 22 maanden voorwaardelijk, de vijfde 18. Volgens Jef Vermassen, raadsman van de ouders, betekent het vonnis een scharnierpunt in de rechtspraak: "Het is de eerste maal dat in een dergelijke zaak een uitspraak komt en het vonnis kan een grote steun zijn voor wie gepest wordt." De Post zelf wordt veroordeeld tot de gevorderde boete van 240.000 euro.

Kayleigh wordt gepest Filmpje op facebookEr is ook het verhaal van moeder Michelle V. (40) uit Tielt die een hallucinant filmpje op Facebook postte. Daarin is te zien hoe haar dochter Kayleigh op haar laatste schooldag bijna vijf minuten lang wordt beschimpt, geschopt en geslagen. De directie van de school stuurde het meisje dat de 13-jarige Kayleigh pestte en er nadien een filmpje over postten op You Tube van school . De feiten kwamen aan het licht toen de moeder van het gepeste meisje een filmpje postte op Facebook waarin haar dochter Kayleigh op haar laatste schooldag bijna vijf minuten lang wordt beschimpt, geschopt en geslagen.  Het meisje wordt recht in haar gezicht geslagen. Zelf blijft ze weerloos op de grond van de bushalte zitten. ‘Sta recht', roepen de pesters, terwijl ze aan Kayleigh's haren trekken. ‘Niet voor jullie', prevelt ze. ‘Toon dat je een echte vent zijt', klinkt het vervolgens. En tot slot: ‘Dit zijn herinneringen voor later.' 

Die ‘herinneringen voor later' werden door de pesters op YouTube gepost, maar intussen werden ze door het videokanaal zelf verwijderd. Moeder Michelle kon de beelden nog net onderscheppen en plaatste ze op Facebook. Met daarbij een opvallende boodschap. Kijk en oordeel. Kayleigh wil zelf dat dit filmpje openbaar wordt. Hiermee wil zij een actie tegen de pesters (en pesten in het algemeen) starten. Klik ‘vind ik leuk' als je haar een hart onder de riem wil steken en deel het filmpje als je haar actie wil steunen. Bedankt aan iedereen die dit wil doen. (Bron : Nieuwsblad 29/06/2012)

Voor kinderen en tieners is er geen gelijkaardig feit bekend. Wanneer jongeren zelfmoord plegen, ook al worden ze gepest wordt daar meestal niets verder mee gedaan. Het is immers moeilijk te achterhalen of het pesten de enige aanleiding was en hoe erg het pesten ingewerkt heeft. De band tussen het pesten en de zelfmoord moet specifiek aangeduid worden en dit is dikwijls een onmogelijke opdracht. Verder worden jongeren door het huidige (Belgische) tolerante jeugdsanctierecht zelden tot nooit veroordeeld, zelfs niet bij zwaardere misdrijven. Scholen werden ook in België en Nederland nooit rechtstreeks verantwoordelijk gesteld voor pestgedrag onder leerlingen en het niet ingrijpen daarbij.

Ook in de VS waar er veel meer onderzoek hierrond is gebeurd, is het niet altijd duidelijk hoe rechtbanken op pestgedrag van jongeren reageren. In één case, de Rudd v Pulaski Country Special School, werd deze niet veroordeeld om dat het hof oordeelde dat de school niet de plicht heeft om continu en onder alle omstandigheden leerlingen tegen elk misbruik en pestgedrag te beschermen.
Anderzijds noteerde Shariff (2004) dat de Amerikaanse rechtbanken wel degelijk rekening houden met de houding die scholen en leerkrachten aannamen in elke situatie van zelfmoord na psychologische terreur. Er werd grondig nagepluisd of de scholen niet nalatig waren geweest en gepast hadden gereageerd op gesignaleerd pestgedrag of er een schoolbeleid rond pesten bestond, enz. Maar tot een veroordeling van een school was het nog nooit gekomen.

2.5. Pestprotocollen, pestcontracten.

Bijna elke zichzelf en de leerlingen respecterende school heeft wel iets op papier gezet om het pesten tegen te gaan. Ook de Hengelose scholengemeenschap De Grundel, die nu door de ouders van leerlinge Joyce Poort dreigt te worden aangeklaagd. Joyce zit al bijna drie jaar thuis. Eerst werd ze ziek gepest door klasgenoten, daarna raakte ze verdwaald in het hulpverleningscircuit. Toen Joyce door klasgenoten gepest werd, heeft de school naar eigen zeggen onmiddellijk pestcontracten opgesteld en de pesters aangesproken. In zo'n contract wordt beloofd elkaar met rust te laten. Maar helpt zo'n instrument ook? Nee, zegt drs. Bob van der Meer. De oud-leraar lichamelijke oefening uit den Bosch is psycholoog bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum. Hij schreef verschillende methodes, programma's en boeken over pesten, waaronder School en geweld; oorzaak en gevolg. Ook is hij nauw betrokken bij de website www.pesten.net, die in het vijfjarig bestaan al meer dan vijf miljoen bezoekers gehad. Van der Meer constateert dat pesten op veel scholen onvoldoende wordt aangepakt. ,,Hoe gaat het vaak?

Ouders klagen dat hun kind wordt gepest. De school komt met een pestproject, een interventieprogramma of een pestcontract, en gaat daarna weer over tot de orde van de dag. Na verloop van tijd melden ouders zich weer, want hun kind heeft nog steeds last van nachtmerries. Wat zegt de school dan? Mevrouw en meneer, we kunnen niet de hele dag met pesten bezig zijn.'' Volgens Van der Meer blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat zo'n ad hoc-aanpak niet werkt. Een mentor moet structureel, dus wekelijks, bezig zijn met normen en waarden in de klas. Vanaf dag één. ,,Hij stelt samen met de leerlingen de regels op waaraan iedereen zich moet houden. Hij spreekt met hen af wat de sancties zijn bij overtreding. De norm is dat je bepaald gedrag niet tolereert, de waarde is veiligheid. De regels stop je in een envelop, iedereen bewaart het in zijn agenda en je komt er elke week op terug.'' Van der Meer heeft een lespakket ontwikkeld dat werkt, zegt hij zelf. Een pilotproject in Rotterdam heeft dat bewezen. Elke week werden in de eerste vijf minuten van de les de gezamenlijk opgestelde regels besproken. ,,De leerlingen kwamen zelf met concrete voorbeelden over roddelen of intimidatie. Je klikt immers niet, als je erover praat. Problemen worden op die manier meteen bespreekbaar. En oplosbaar.''

Zonder zo'n aanpak zal het aantal (aan)klachten van ouders alleen maar toenemen. In 1992 dreigde een vader van een school in Noord-Nederland al met een rechtszaak als de school niets zou doen tegen het pesten van zijn zoon. Eerder dit jaar trof scholengemeenschap Het Baken in Almere een schikking met klagende ouders. Onlangs maande de rechter een school in Amerongen tot een antipestbeleid. En nu stelt de vader van het gepest meisje uit Hengelo de scholengemeenschap De Grundel aansprakelijk voor de geleden schade. Nieuwe claims zijn onvermijdelijk, vreest Van der Meer. (Nederlands Dagblad 04/11/2003) Quarrel by Lusi RGBstock

Tot voor enkele jaren was het pestprobleem in vele scholen onbesproken. Er werden natuurlijk mensen gepest op school, maar daar zweeg men liever over. De jongste jaren is er veel onderzoek naar verricht, er werd veel over geschreven en er kwamen actieprogramma's. Maar daarmee is de zaak niet opgelost. Integendeel, even een lesuur praten over pesten op school lost meestal niet op. Pesterijen kunnen vaak heel ver gaan en het kan lang duren voor er een oplossing in zicht is.

2.6. Leerkrachten treden niet altijd op.

Dan is de vraag : wat kunnen scholen eraan doen? Merken de leraars niets? Valt het niet op dat een kind in de klas uitgesloten of gepest wordt? De leraars merken uiteraard pesterijen op. Negentig procent van hen werd geconfronteerd met leerlingen die elkaar pesten. Slechts tien procent zag geen of minder pesterijen op school. 45 % signaleerde een (sterke) stijging tijdens de voorbije vijf jaar. De meeste pestkoppen zaten in de eerste graad secundair onderwijs en in de hoogste jaren lager onderwijs. Toch werd ook één kleuterleider op drie de jongste jaren (veel) meer geconfronteerd met pestende kleuters. (Klasse, juni 1997 ). Het blijft dan de vraag of de leraar ook ingrijpt. Soms vrezen leraars dat ze de zaak alleen maar gaan verergeren. Dat doen ze in ieder geval als ze zwijgen, niet ingrijpen of erger nog gewoon meelachen met de pestkoppen. Vaak hoor je uitdrukkingen zoals : het slachtoffer heeft het ook een beetje zelf gezocht.
De leraars merken niet alleen hoe het aantal pesterijen bij leerlingen toeneemt. Ze zeggen ook dat er meer leraars zelf slachtoffer worden van leerlingen die hen de duivel aandoen. Zestig procent van de leraars signaleert zulke praktijken. Eén derde van hen zegt dat ze de voorbije vijf jaar (sterk) zijn toegenomen. Ook hier zijn de uitschieters de eerste jaren secundair onderwijs en de hoogste jaren lager onderwijs. In veel gevallen wordt hier echter niet over gepraat.
Wie geen slachtoffer is, haalt opgelucht adem. Leraars bij wie de leerlingen soms het bloed onder de nagels uithalen, voelen zich vaak aan hun lot overgelaten: schuldig en zwak. Ook in het hoger onderwijs wordt volgens Klasse nog stevig gepest, zij het minder dan elders. 80 % van de docenten merkt het op tussen studenten. Eén vierde van hen signaleert een (sterke) stijging. 70 % wordt geconfronteerd met studenten die docenten proberen te pesten. Al zijn er op dit vlak meer docenten die dat verschijnsel zien afnemen (16 %) dan toenemen (14 %).

,,Het stinkt rond jou, zeiden ze'' Driekwart van de Belgische jongeren krijgt wel eens te maken met pesterijen op school, maar meestal blijven die vrij onschuldig. Anders wordt het als je elke dag je boekentas uit een plas moet vissen, of je klasgenoten voortdurend weigeren met je te praten. Katrien (13) maakte het vorig jaar mee. Door het anti-pest-plan van haar school is het tij nu gekeerd. Katrien en directeur Yves Beken over hún kant van het pestverhaal.
De middenschool van campus Russelberg in Tessenderlo werd tijdens de Vlaamse antipestweek 19 tot 24 febr.2006 genomineerd voor de Vlaamse antipest-prijs. ,,Het lukte in ieder geval om de pesters van Katrien op andere gedachten te brengen'', zegt directeur Yves Beken. Het begint eigenlijk al met preventie tegen pesten. Het is beter als je nooit hoeft in te springen omdat iemand gepest wordt'', vertelde directeur Yves Beken. ,,Wij werken daarom met een smiley-systeem .
Dat houdt in dat leerkrachten bij elke rapportperiode een groen of een rood gezichtje - een smiley - uitreiken aan de klassen. Een groen gezicht betekent dat de klasgenoten goed zorg dragen voor elkaar, een rode dat er gepest is. De klas die op het eind de meeste groene smileys verzameld heeft, krijgt een beloning. Dat kan een uitstapje zijn, of taart.'' Het preventiesysteem slaat vooral aan bij de jongste klassen en zorgt dat het pesten in de kiem gesmoord wordt. ,,Het moeilijkste om mee te werken, zijn de pesterijen die al jarenlang aan de gang zijn. Af en toe krijgen we een leerling die al van de lagere school, of soms zelfs vanaf de kleuterklas, het mikpunt is van getreiter. Zulke situaties proberen we te vermijden met ons preventiesysteem.''
Vanzelfsprekend blijven er ook pesters die zich niet laten afschrikken door rode gezichtjes . ,,Bij echte pesterijen passen we de no blame (geen beschuldiging) methode toe. Die methode steunt op drie regels: het pesten moet stoppen, niemand wordt beschuldigd of bestraft, en iedereen is verantwoordelijk voor het stoppen van de pesterijen.''
De no blame-methode probeert vooral de passieve middengroep te mobiliseren: vaak zijn er in een klas een paar echte pestkoppen die denken dat ze populair worden door te pesten. Als de grote middengroep duidelijk maakt dat ze hun pestgedrag niet op prijs stellen, verliezen de pesters meteen hun podium. En stoppen ze sneller met hun getreiter.”,In het geval van Katrien was het pesten al ver gevorderd voor ze een leerkracht erover in vertrouwen durfde te nemen. Op dat moment heeft preventie natuurlijk geen zin meer, maar moet je er alles aan doen om het pesten te stoppen. We hebben de vier pesters gevraagd om thuis met Katrien te gaan praten, zodat ze beter begrepen wat ze aanrichten. Haar klasgenoten zijn op die vraag ingegaan, en iets later kwam Katrien ook weer naar school. Intussen gaat het een stuk beter met haar.'' (Het Nieuwsblad 20/02/2006)

Crying wall by Lusi RGBstockPesten onder tieners kan onschuldig lijken, maar heeft meestal niets meer van doen met een eenmalige plagerij over-en-weer, waarbij nu eens de ene en dan weer de andere de plager is. Pesten is een volgehouden plaaggedrag, dat gericht is op een bepaald slachtoffer met de bedoeling deze persoon zwaar te treffen en te vernederen. En die pesterijen houden niet vanzelf op. Hoewel cyberpesten vaak vanuit thuiscomputers of via eigen GSM gebeurt buiten de schooluren, heeft de school toch een verantwoordelijkheid hierin. Pesten op school verdient een systematische aanpak. Er zijn al succesvolle strategieën en goede praktijkvoorbeelden ontwikkeld om een anti-pestbeleid op school uit te stippelen omtrent klassieke pestsituaties. In diverse boeken en pakketten zijn verschillende strategieën ontwikkeld om het pestprobleem aan te pakken. Ook ten aanzien van cyberpesten kan de school een grote verantwoordelijkheid opnemen en veel onheil voorkomen, ook al gebeurt het pesten zelf buiten de eigenlijke schooltijd.

2.7. Pesten voorkomen

Het allerbelangrijkste wat de school echter kan doen is het cyberpesten zoveel mogelijk trachten te voorkómen. Eerst en vooral moet de school zelf een beleid ontwikkelen waarin precies wordt aangeduid welke stappen genomen moeten worden wanneer er klachten ingediend worden. In de school moet een vertrouwensleerkracht aangesteld worden die elke zaak ernstig neemt, hoe banaal het ook is. Wanneer het over cyberpesten gaat kan betrokkene de ICT medewerker inschakelen om te zoeken van waar en van wie pestgedrag komt. Zeker als het pestgedrag van op school vertrokken is, is dit belangrijk, maar ook daarbuiten kan de school behulpzaam zijn bij het helpen onderzoeken van waar pestberichten komen of hoe pestboodschappen op internet verwijderd kunnen worden. Wanneer een kind een provider contacteert, heeft dit meestal weinig impact, maar wanneer een school uit hoofde van een ICT-coördinator of directie contact opneemt heeft dit meestal meer impact. Soms maken pestkoppen anonieme websites aan in de VS of op afgelegen eilanden. Wanneer vanuit de school een klachtmail of klachtfax vertrekt, kan er sneller worden opgetreden. De school mag zeker ook niet aarzelen de thematiek in de klasgroep ter sprake te brengen, ook al gebeurt het pesten buiten de schooluren, omdat het meestal toch wel uitgaat van de directe klasgenoten en het cyberpesten vaak niet beperkt blijft tot alleen maar digitaal uitdagen. Alerte en bekommerde leerkrachten hebben snel door dat iemand in de klas gepest wordt en kunnen daar een ernstig klasgesprek over voeren.

Maar een leerkracht kan ook nog verder gaan. Elke leerkracht moet ervoor zorgen dat haar of zijn klas een veilige en aangename plek is. Belangrijk is daarbij het voorbeeld dat de leerkracht zelf geeft. Een leerkracht die de leerlingen laat uitpraten, naar ze luistert, er niet bij voorbaat van uit gaat dat hij zelf gelijk heeft en die de leerlingen complimenten geeft, krijgt ongemerkt navolging: goed voorbeeld doet goed volgen. Ook is het belangrijk als de leerkracht een duidelijke houding heeft bij conflicten tussen de leerlingen onderling. Om sociale vaardigheden te verwerven moeten de leerlingen in eerste instantie proberen zelf hun onderlinge problemen op te lossen. De leerkracht laat dan merken dat zij/hij vertrouwen heeft in de leerlingen. Als de leerlingen er onderling niet uitkomen of als bepaalde leerlingen het onderspit delven, moet de leerkracht de leerlingen helpen bij het zoeken van een oplossing. Ook moet zij/hij de signalen van gepeste leerlingen kunnen herkennen en daar op reageren.

2.8. Veilig in de groep

In elke groep zitten kinderen of jongeren die gemakkelijk, minder gemakkelijk en soms zelfs moeilijk met anderen om kunnen gaan. Als de sfeer in de groep veilig is, gaan al die verschillende kinderen graag naar de muziekles of de voetbaltraining. Ze weten dat er niet alleen met de sterksten rekening wordt gehouden maar met iedereen. In hun groep is het de gewoonste zaak van de wereld dat je het voor elkaar opneemt als iemand problemen heeft. Bovendien geeft de trainer of de begeleider het goede voorbeeld. In een groep met zo'n veilige sfeer krijgen pesters weinig kans: andere kinderen komen het slachtoffer te hulp.
De sfeer in een groep kan ook onveilig zijn. Andere kinderen durven het dan nauwelijks voor het gepeste kind op te nemen. Ze kunnen niet rekenen op de hulp van de aanwezige volwassene. Ze zijn bang om uitgelachen te worden en niet meer bij de groep te horen.
Er wordt wel eens beweerd dat elke groep een zondebok nodig heeft. Dat is niet waar. Zondebokken vind je wel vaak in groepen waar wat mee aan de hand is. Bijvoorbeeld op een sportclub waar agressief gedrag normaal is en waar niet door de trainer wordt ingegrepen. Of in een buurthuis waarin kinderen weinig persoonlijke aandacht krijgen. Het kan ook zijn dat er te veel nadruk ligt op presteren: de beste moeten zijn bij ballet of de meeste doelpunten moeten scoren. Kinderen zijn daardoor voortdurend met elkaar in concurrentie. Ze werken bijna nooit samen. In zulke hebben kinderen iemand nodig om hun onvrede op af te reageren. De begeleider of trainer doet er goed aan de samenhorigheid te bevorderen. Bijvoorbeeld door af en toe iets gezelligs te doen met de groep als geheel en door positieve opmerkingen te maken, ook over de kinderen die niet supergoed zijn in dansen of voetballen. Groepen die onveilig zijn hebben altijd een slachtoffer (zondebok). Dit komt doordat de kinderen hun onvrede over iets of iemand niet bij de juiste persoon kwijt kunnen. Toch willen zij hun onvrede uiten en kiezen hiervoor een weerloos persoon.
Zo’n groep kun je vergelijken met een mobiel. In een groep heb je rollen. Voor elke rol is er iemand nodig. In een onveilige groep heb je ook de rol van zondebok. Mocht deze zondebok wegvallen doordat deze weerbaar is geworden. Dan wordt zijn plaats ingenomen door een andere persoon die dan zondebok wordt. Zo blijft de mobiel in evenwicht.
(Bron : http://lessen.cyberstar.nl/ )

Het is een misverstand ervan uit te gaan dat een goede groepssfeer te danken is aan de leerkracht en dat een slechte sfeer te wijten is aan een paar etterbakken in de groep. Er is altijd sprake van een samenspel met de leerkracht in de rol van spelverdeler. Dat betekent dat de leerkracht evenveel gewicht in de schaal legt.
• Leerkrachten met een positieve houding blijken een gunstige uitwerking op de groepssfeer te hebben:
• Ze leggen verhoudingsgewijs meer nadruk op de vorderingen van leerlingen dan op hun tekortkomingen;
• Ze tonen vertrouwen in de ontwikkeling van leerlingen: hoge maar niet onrealistische verwachtingen stimuleren het zelfvertrouwen van leerlingen;
• Ze gaan uit van de goede bedoelingen van leerlingen totdat het tegendeel blijkt.

2.9. Aanpak van pesten op school

1. Positionering

De pester is vaak in staat om het slachtoffer de mond te snoeren door middel van allerlei dreigementen. Het slachtoffer is ook vaak bang dat de pesterijen erger zullen worden, of nog meer in het geheim zullen plaatsvinden, als hij met zijn verhaal naar buiten zal treden.
Er kunnen echter ook andere persoonlijke redenen zijn waarom het slachtoffer niet met zijn of haar verhaal naar buiten wil komen.Tiener met laptop /computer dange by 0duchessa rgbstockfree
Het slachtoffer schaamt zich meestal, is bang dat zijn uiting als verraad voor de groep wordt aanzien,
is misschien al van jongs af aan als zondebok behandeld en is dit als normaal gaan beschouwen.
De getuigen van pesterijen durven niet in te grijpen. Dit gebeurt uit angst voor allerlei mogelijke negatieve gevolgen. Bij deze getuigen gaat het niet alleen om klasgenoten, maar ook om leerkrachten.
De omstanders van de pestpraktijken zijn onder te verdelen in meerdere groepen:
-zij die actief mee pesten uit angst om zelf slachtoffer te worden,
-zij die actief mee pesten omdat ze er op de één of andere manier voordeel bij hebben,
-zij die niet mee pesten, maar ook niet durven reageren, hoewel ze dat vaak eigenlijk wel zouden willen,
-zij die niet in de gaten hebben wat zich in de klas afspeelt.
In feite zijn dus vaak de meeste leerlingen op de hoogte van het pesten, maar durft niemand er met buitenstaanders over te praten. Dit wordt ook wel het mechanisme van "samenzwering om te zwijgen" genoemd.

Die "samenzwering om te zwijgen" is eigenlijk weer het gevolg van een ander mechanisme: het zogenaamde "omstanderdilemma". Dit "omstanderdilemma" is een innerlijke tweestrijd waarin omstanders terechtkomen als ze met machtsmisbruik te maken krijgen: "Durf ik er iets tegen te doen, of moet ik er voor mijn eigen veiligheid toch voor kiezen om niets te doen?" Kiezen om niets te doen kan wel veilig zijn, maar mensen kunnen dit ook weer laf van zichzelf vinden en met een gevoel van schuld blijven zitten. Het pestslachtoffer wordt soms zelf ook als schuldige beschouwd.

Dit houdt in dat getuigen het slachtoffer voor een deel zelf schuldig beschouwen om gemakkelijker hun eigen schuldgevoel weg te duwen. Men gaat ervan uit dat de gepeste anders is dan de groep. De omstanders zijn niet zo, zij lopen dus geen gevaar om gepest te worden denken ze. Ze willen de illusie van de veilige wereld. Kortom: pesters, slachtoffers en getuigen (mogelijk ook leerkrachten) doen er vaak het zwijgen toe. Zo krijg je een soort van ontkenning van de werkelijkheid, blijft pesten vaak verborgen (mogelijk voor de school maar zeker voor de ouders), wordt er niet van buitenaf ingegrepen en duurt het allemaal nog langer voort. Pesten is geen probleem dat zich gemakkelijk laat oplossen.

Pesten speelt zich vaak in het verborgene af en dat alleen al maakt het moeilijk om er greep op te krijgen. Maar zelfs als pesten opgemerkt wordt, weten leerkrachten en andere betrokkenen vaak niet wat ze er mee aanmoeten. Toch kunnen scholen wat tegen pesten doen. Pesten kan door middel van allerlei maatregelen tegengegaan worden. Daar waar scholen er serieus hun best voor doen, maakt dit een wereld van verschil. Het is wel belangrijk dat de juiste informatie voor handen is en dat de leerkrachten en de schoolleiding bereid zijn echt iets aan pesten te doen. Leerkracht zijn is niet gemakkelijk. Onderwijzen vergt veel inzet, geduld en incasseringsvermogen. Het gaat nu eenmaal niet alleen om het overdragen van vakmatige kennis en vaardigheden. Leerkracht zijn betekent ook het doen en laten van een groep jonge mensen in goede banen proberen te leiden. Daarbij gaat het niet alleen om hoe de leerlingen zich tegenover de leerkracht opstellen, het moet ook gaan om goede verhoudingen tussen leerlingen onder elkaar. Niet alleen omdat het lesgeven op die manier beter verloopt, maar ook als doel op zich: meehelpen te zorgen dat leerlingen gewoonweg gelukkig kunnen zijn. Het tegengaan van pesten is zeker geen taak van de leerkracht alleen. Maar de leerkracht heeft wel een centrale positie. Zonder de kennis van zaken en inzet van de leerkracht is het onmogelijk het pesten een halt toe te roepen.

2. Het tegengaan van pesten, een taak van de school?

Scholen zijn er om kinderen kennis en vaardigheden bij te brengen. Daarvoor is concentratie nodig; leerlingen moeten "bij de les" blijven. Onder normale omstandigheden is het vasthouden van de concentratie voor de leerkracht vaak niet gemakkelijk. Als pesterijen in de klas de lessen verstoren, heeft iedereen er een direct belang bij om hier iets aan te doen. Maar pesten is juist ook iets wat lang verborgen blijft en waarvan misschien alleen het topje van de ijsberg waarneembaar is. De leerkracht heeft er dan zelf niet direct last van en ervaart het slechts later.
 
Het aanpakken van pesten is wellicht niet de hoofdtaak van de leerkracht, maar het is een noodzaak dat de leerkracht zich hier op de één of andere constructieve manier mee bemoeit. Als de leerkracht afzijdig blijft, heeft het weerloze pestslachtoffer vaak geen schijn van kans om uit zijn ellendige situatie te ontsnappen.
Vanzelfsprekend is de draagkracht van de leerkracht ook eindig. Toch heeft deze als mens wel de verantwoordelijkheid om tenminste de pestproblematiek niet naast zich neer te leggen, het slachtoffer duidelijk te maken dat zijn probleem gezien en erkend wordt, de pester duidelijk te maken dat zijn gedrag onaanvaardbaar is, melding te maken van de situatie aan alle partijen die misschien meer kunnen doen dan de leerkracht zelf. Ook al heeft de leerkracht niet altijd een direct eigenbelang bij het oplossen van pesterijen; voor de schoolleiding ligt dat anders. Ouders en kinderen zijn niet gebonden aan één school. Zij zijn als het ware "consumenten" van onderwijs. Zij kunnen beslissen de school die de pestproblematiek niet serieus aanpakt uit de weg te gaan. Als ouders en kinderen zich meer bewust worden van het belang van veiligheid op school en er steeds meer informatie beschikbaar komt over hoe scholen hiermee omgaan, riskeren scholen die te weinig tegen pesten doen "marktaandeel" te verliezen. Voor een succesvol antipestbeleid is het belangrijk dat de schoolleiding zich hier op een opbouwende manier mee bezighoudt.

De schoolleiding moet zich bewust worden van de problemen, zich bewust worden van de mogelijke oplossingen, duidelijk maken wat ze wil en gaat doen, ook daadwerkelijk de daad bij het woord voeren.
Traditioneel wordt als een oplossing voor pesten gezien dat het slachtoffer voor zichzelf op moet leren komen. Het probleem is dubbel. Eerst en vooral kan je dit het slachtoffer niet zo snel en gemakkelijk aanleren, zeker niet als hij of zij al veel pesterijen te verduren heeft gehad. Maar al zou het slachtoffer er in slagen om van zich af te leren bijten, dan nog is dit geen echte oplossing. Waarschijnlijk zal de pester immers naar een nieuw slachtoffer op zoek gaan en zo beginnen de problemen van voren af aan. Ten tweede ligt de oorzaak bij de pester en is het noodzakelijk die eerst op te sporen en te remediëren.

Naast "voor jezelf op leren komen" wordt overplaatsing van het slachtoffer naar een andere klas traditioneel ook als een mogelijke oplossing gezien. Overplaatsing kan een oplossing zijn, maar kan het probleem ook verergeren. Nieuwkomers in een klas worden immers vaak als indringers gezien en lopen daardoor een grote kans op een onvriendelijke ontvangst. De kans is groot dat de overgeplaatste leerling dit als een vernedering ervaart en verder dichtklapt. Tevens bestaat het risico dat de pester een gevoel van "triomferen" heeft, waardoor zijn pestgedrag eerder aangemoedigd dan verholpen wordt.
Waar het in het tegengaan van pesten uiteindelijk allemaal om draait, is het veranderen van de houding en mentaliteit van iedereen. "Pesten kan niet, punt uit!"
Leerlingen moeten leren dat geweld, of het passief laten gebeuren, niet door de beugel kan en maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag is.

Angry Photo by Duchessa RGBstockLeerlingen zullen hun gedrag echter niet zomaar uit zichzelf veranderen. Alleen onder goede begeleiding van de leerkracht en in een goed schoolklimaat kan verandering plaatsvinden. Daarvoor is het van belang dat de leerkracht en de schoolleiding een verzameling hulpmiddelen heeft om pesterijen te signaleren, te bestrijden en te voorkomen.

Natuurlijk weten de leerkracht en de schoolleiding ook niet altijd alles. Daarom moeten er vangnetten zijn voor gevallen waarin pesten toch de kop op blijft steken. Op de school kunnen deze vangnetten de vorm aannemen van een vertrouwenspersoon (CLB of … ), een klachtencommissie en -procedure.
Vaak wordt er in de literatuur onderscheid gemaakt tussen een curatieve, preventieve en repressieve aanpak. Curatief staat dan voor het ontwikkelen van een strategie om pesten te stoppen. Preventieve activiteiten zijn erop gericht het verschijnsel bespreekbaar te maken in een volledige school, waar (ernstige) vormen van pesten zijn vastgesteld en repressief betekent dat er sancties kunnen genomen worden indien de vorige aanpakken niet werken. (Bron : www.sasam.be  )

3. Pesten aanpakken

Pesten is een realiteit voor alle scholen. De school heeft daarom doelstellingen op korte en lange termijn nodig. Op korte termijn ontwikkelt de school een strategie de pesterijen onmiddellijk een halt toeroepen. Deze strategie steunt op de volgende mechanismen:
-bevorderen van empathie,
-ontwikkelen en opvolgen van een consistente omgevingscontrole,
-modelleren van alternatief gedrag,
-vereenvoudigen van alternatief gedrag.

Op lange termijn grijpt de school in op de achtergrondfactoren bij pestkoppen en gepeste kinderen en schept daardoor een klimaat van een pestvrije omgeving. Deze lange termijnvisie moet opgenomen worden in het schoolwerkplan. Dit alles speelt zich af op verschillende niveaus: school, klas en individu. Voor deze 3 belangengroepen gelden de volgende krachtlijnen:

a.Informeren en sensibiliseren van leerlingen, leerkrachten, overig schoolpersoneel en ouders wat betreft de bevordering van de alertheid voor signalen van niet welzijn in het algemeen en van pesten en gepest worden in het bijzonder.

b. Signalering van (mogelijke) pesterijen aanmoedigen

c. Ontwikkelen van maatregelen om gelegenheden tot pesterijen te voorkomen zoals:
o Een verhoogd doelgericht toezicht
o Wijzigingen in de organisatie van de speelplaats of de speeltijd
o Wijzigingen in de begeleiding bij het leerlingenvervoer
o Wijzigingen in de organisatie van de contacten met ouders.

d. Explicitering van een regelgeving rond pesten op school.
Een gedragscode tegen pesten ontwikkelen en actief laten toepassen door de verschillende actoren onder de verantwoordelijkheid van de directie en in samenwerking met diensten zoals het CLB.

e. Inoefenen van vaardigheden om het pesten onmiddellijk te stoppen en de gepeste leerlingen ter zijde te staan.

Voor leerlingen betekent dat:
Dadelijk de pestkop laten merken dat je pesten afkeurt,
Neen zeggen wanneer een pestkop je bij het pesten wil betrekken.
Aan een gepeste medeleerling laten merken dat ook jij pesten niet prettig vindt.

Voor leerkrachten betekent dat:
• Het inoefenen van (incident)gesprekken waarbij onmiddellijk ten aanzien van de pestkop wordt ingegrepen.
• Het voeren van korte ondersteuningsgesprekken met kinderen die gepest worden.
• Het leren detecteren van pestsignalen.
• Het volgen van bijscholingen i.v.m. met deze materie.
• Ontwikkeling van een procedure voor eerherstel. Pesten betekent immers (morele) schade toebrengen aan een ander. De pestkop maakt misbruik van een machtsonevenwicht en berokkent het kind dat gepest wordt psychisch (verdriet, angst, zich slecht voelen) en/of fysisch leed (pijn, verwondingen). Het komt er niet zozeer op aan pestkoppen bij herhaling te straffen maar van hen te verlangen dat ze het aangedane onrecht op een of andere wijze herstellen en aan hun probleem werken. Ontwikkelen en opvolgen van herstelcontracten waarin leerkrachten, leerlingen en ouders participeren, zijn hiertoe het aangewezen middel

Ervaringen in Vlaanderen en Nederland en internationaal leren dat de aanpak van pestgedrag het meest kansen op succes heeft, wanneer directie, leerkrachten en ondersteunend personeel, leerlingen en ouders aan één touw trekken. Ieder van hen wordt eerst geïnformeerd en gesensibiliseerd over pesten en over signalen die op pesten kunnen wijzen. Ze worden ook aangemoedigd om pesterijen of vermoedens van pesterijen te melden. En de school grijpt kordaat in tegen pesterijen: ze stelt een gedragscode op met duidelijke regels, ze houdt meer toezicht houden op traditionele pestplaatsen zoals de speelplaats, ze komt meteen tussenbeide bij pesterijen, ze voert gesprekken met alle betrokkenen en maakt heldere afspraken.

Op het niveau van de ganse school gaat het vooral om concrete afspraken tussen leerkrachten en maatregelen rond toezicht. Ook het opstellen van een gedragscode tegen pestgedrag, deze gedragscode integreren in het schoolreglement, het thema integreren in het lesprogramma en vorming voorzien voor het personeel zijn noodzakelijk. Op het niveau van de klas zijn er het opmaken van klasregels en klasafspraken, sensibilisatie via klas- en/of kringgesprekken en via aangepast lesmateriaal. Men kan ook gebruik maken van andere sensibilisatietechnieken zoals video, film, rollenspelen, internetzoekopdrachten, …In pestsituaties kan men werken met herstelcontracten.

Met de individuele leerlingen kunnen er gesprekken gevoerd worden wanneer er zich pestgedrag voordoet, met de pestkop en de slachtoffers. Ook CLB of andere begeleidingsdiensten kunnen betrokken worden. Tenslotte mag de school ook niet vergeten de ouders te betrekken. Zowel in het algemeen preventief tijdens ouderbijeenkomsten als in situaties van concreet pesten moeten ouders betrokken worden.
Onderzoek heeft aangetoond dat een collectieve aanpak meer effect heeft dan een individuele aanpak. Als men alleen de concrete pestsituatie aanpakt, bestaat er het risico dat het slachtoffer achteraf nog meer gepest wordt of op een andere manier ongeliefd wordt. Het is beter preventief het pesten in het algemeen aan te pakken of in situaties van concreet pesten, het pestprobleem voor de ganse klas bespreekbaar te maken zonder namen en concrete situaties te noemen. In de meeste situaties is het pesten immers ook geen individueel probleem, maar het probleem van een ganse klasgroep.

Als men toch een individueel gesprek voert met pestkop en slachtoffer, doet men dat best met beiden apart. Een rechtstreekse confrontatie tussen het slachtoffer (met zijn traumatische ervaringen) en de dader heeft een nefast effect op het slachtoffer. Uit angst voor chantage en revanche durft het slachtoffer niet vrijuit spreken en gaat hij de feiten toedekken of minimaliseren. Vaak stopt hier ook het meldingsgedrag van het slachtoffer omdat het slachtoffer volwassenen niet meer vertrouwt.

Omdat het pesten verschoven is van lijfelijk pesten naar online pesten of cyberpesten behoeven deze vormen van pesten bijzondere aandacht in preventiepakketten te krijgen. Leerkrachten moeten geïnformeerd worden over hoe kinderen en jongeren elkaar momenteel pesten en hoe het niet zichtbaar zijn in de klas, niet betekent dat er niet gepest wordt aangezien veel pestgedrag verschoven is naar online of via sms pesten. Leerkrachten moeten weten hoe internet en emailtoestanden precies werken, hoe jongeren dit gebruiken en misbruiken om elkaar te kwellen en te vernederen. Ze moeten handvatten aangereikt krijgen om samen te helpen zoeken naar de aanstokers van het cyberpesten, zodat ze samen met leerlingen kunnen ingrijpen. Maar ingrijpen is zeker niet voldoende. Leerkrachten moeten preventief te werk gaan door met leerlingen te praten over pesten en over de schade die cyberpesten kan teweegbrengen.Crying by the see by Lusi Rgbstock

Niet alleen in de school als geheel, maar ook in elke klas komt het probleem aan de orde en moet er gewerkt worden rond een pestbeleid en moeten leerlingen beseffen dat ook cyberpesten niet kan en ernstige gevolgen kan hebben voor diegene die gepest wordt. Pestkoppen moeten ervaren dat de rangen sluiten zodra zij over de schreef gaan. Als leerlingen zien dat volwassenen in de klas en op school ingrijpen tegen pesten, gaan ze ook sneller reageren wanneer een medeleerling wordt gepest.

Scholieren van het Mill Hill-college in Goirle hebben persoonlijk ingegrepen nadat een schoolgenoot een hatelijke rap op de website van de school had gezet. Een leerling had de site van de school gekraakt en zette er een rap op die beledigend was aan het adres van docenten. Rector Jos Berendsen was erg blij met het feit dat andere leerlingen al voor schooltijd bij hem langs kwamen om het incident te melden en meteen ook hun hulp aanboden om de teksten te verwijderen. De politie van Noord-Brabant krijgt iedere week zeker zes aangiftes binnen. Dat zijn er honderden per jaar en het 'digitale pesten' is daarmee een serieus probleem. Op het Tilburgse Beatrix-college ontstond onlangs een massale vechtpartij naar aanleiding van een beledigend msn-bericht. De politie Midden-Brabant onderzoekt de zaak. (Bron: www.Planet Internet 21/04/2006)

Wanneer de school een goed anti-pestbeleid voert, durven ook slachtoffers hierover sneller te praten. Een belangrijke stap in een goed anti-pestbeleid op school is dat iedereen wéét bij welke vertrouwenspersoon hij of zij terecht kan met zijn of haar verhaal. Want wie gepest wordt en ook wie er getuige van is, zwijgt vaak uit angst voor represailles. Verder kunnen leerlingen en leerkrachten vaardigheden inoefenen om zowel het offine als online pesten direct te doen stoppen, en de school kan een procedure ontwikkelen waarmee pestkoppen de schade kunnen herstellen die ze hebben aangericht.

Maar daarnaast blijft preventief werken van het grootste belang. Pas als er in scholen een veilig, vertrouwenscheppend en stimulerend klimaat geschapen wordt, kunnen jongeren goed leren en leven. In een positief schoolklimaat, waar leerlingen een goede band hebben met de leerkracht, komt er minder antisociaal gedrag voor. Wetenschappelijk onderzoek pleit dan ook in eerste instantie voor preventieve maatregelen: een aangenaam schoolklimaat en een leerlinggerichte houding, waarbij de succeservaringen van leerlingen worden gestimuleerd. Ook regelduidelijkheid is van belang: er worden duidelijke grenzen gesteld, liefst in overleg met de leerlingen, en die worden consequent bewaakt.

4. Klachtenregeling

AulaIedere school is wettelijk verplicht vertrouwenspersonen aan te stellen, een klachtenregeling op te stellen en zich aan te sluiten bij een klachtencommissie. Via de schoolgids moet elke school de ouders en de leerlingen daarvan op de hoogte stellen. Bij ernstige gevallen van pesten kunnen ouders (en leerlingen) een klacht indienen bij de klachtencommissie. Dat doen ze bijvoorbeeld als het pesten nog steeds niet is gestopt of als ze ontevreden zijn over de manier waarop de school het pesten aanpakt.
Meestal zal het indienen van een klacht beginnen met een gesprek met de interne vertrouwenspersoon van de school. Die treedt dan bij het vervolg op als begeleider van de leerling en de ouders die de klacht indienen. Als zij hun klacht willen doorzetten, volgt contact met de externe vertrouwenspersoon en met de externe klachtencommissie. De klachtencommissie hoort de betrokkenen en adviseert vervolgens het bestuur van de school over te nemen stappen.

Bij ernstige en langdurige gevallen van pesten - zeker vanaf de laatste jaren van de basisschool - zou je kunnen spreken van 'herhaald geweld'. Vaak is daarbij ook sprake van vormen van 'stalking': opwachten en hinderen op de weg van school naar huis, scheld- en dreigtelefoontjes, anonieme briefjes of SMS-berichten met bedreigingen, hate-mail via het Internet, enz. Hoewel het nog (te) weinig wordt gedaan, bestaat in zulke gevallen de mogelijkheid voor de ouders of de school om contact op te nemen met de politie. Wat buiten school niet mag volgens de wet, mag binnen de sfeer van de school ook niet. Het kan van belang zijn gemene pesters in een vroeg stadium duidelijk te maken hoever zij over de streep zijn gegaan en dat zoiets niet alleen in school maar ook in de maatschappij verboden is.

Bij de lichte gevallen kunnen scholen daarbij een 'Geen blaam'-aanpak toepassen. Het gaat daarbij niet om te straffen, maar om ruimte te creëren voor daders en meelopers om een andere richting te kiezen. De bedoeling is pesters positieve plannen te laten maken om hun gedrag te veranderen en de situatie voor de gepeste leerling(en) prettiger en veiliger te maken. In ernstige gevallen van pesten is het soms nodig dader en slachtoffer tijdelijk van elkaar te scheiden door schorsing. De schorsing kan worden gebruikt om na te gaan welke oplossing er mogelijk is.

Maar meer nog dan straf, kan daarbij een herstelprocedure positief werken: schulderkenning door de pester en een oprecht gebaar van de pester in de richting van de gepeste om schade te herstellen of aan het herstel van een veilige situatie bij te dragen. Als zoiets niet lukt of niet mogelijk is, kan het nodig zijn de pester(s) over te plaatsen naar een parallelklas of naar een andere (vestiging van de) school. Het uitgangspunt blijft dat degenen die het voor anderen onveilig maken dan het veld moeten ruimen.

5. Rol van het CLB

Gezien de heroriëntering van de taak van het CLB waarbij de cel leerlingbegeleiding het centrale gegeven wordt, is het wenselijk na te gaan op welke wijze die centra bij een aanpak van pesten op school betrokken kunnen worden. De opdracht van die cel bestaat o.m. uit
-het coördineren van preventieactiviteiten en bijscholing,
-opzetten van werkgroepen en/of projecten,
-uitbouwen van een signaleringsnetwerk,
-bespreken van individuele probleemleerlingen, gedragsregels en sancties.

In deze nieuwe visie vervult het CLB-team een complementaire rol ten aanzien van de school. Wanneer we deze rol vertalen naar de opbouw en uitvoering van het actieprogramma pesten, liggen de taken die een CLB-medewerker bij de uitwerking ervan kan opnemen, op eenzelfde lijn.
We vertrekken daarbij met de aanpak op drie niveaus:
de school,
de klas,
de individuele leerlingen.

Als de pesters niet stoppen heb je het recht om de geweldloze bemiddeling van anderen te vragen. Dat is geen klikken of klagen, het is een geaccepteerde manier om je tegen pesten of geweld teLost girl by Lusi Rgbstock verdedigen. Klasgenoten kunnen je daarbij helpen.
Daarom moet de school moet er voor zorgen dat leerlingen met hun vragen om bemiddeling terechtkunnen bij iemand die goed luistert en kan bemiddelen. Elke klassenleerkracht of mentor zou die rol moeten kunnen vervullen. Want de meeste kleine ruzies en de eerste aanzetten tot pesten zijn meestal in de sfeer van de groep oplosbaar. Maar daarnaast is het nodig dat er in de school deskundige vertrouwenspersonen, leerlingbegeleiders en schoolleiders zijn die als bemiddelaar kunnen helpen. Tegenwoordig zijn er ook scholen die werken met leerlingen als bemiddelaars voor ruzie en pesten. Het gaat dan om getrainde leerlingen die goed worden begeleid door een leerlingbegeleider. In de praktijk blijkt dat leerlingen die gepest worden zich makkelijker bij een leerlingbemiddelaar (CLB) melden en dat die bemiddeling vaak ook goed werkt.

6. Acties op schoolniveau (CLB)

De onderstaande aspecten behandelen mogelijke taakaspecten van het CLB-team. Het is niet de bedoeling dat het CLB-team al die taken op zich neemt, maar inzicht krijgt in een mogelijke bijdrage en vlotte samenwerking met de school, leerkrachten, ouders en andere betrokkenen welke elkaar op deze domeinen wederzijds kunnen ondersteunen en aanvullen.
Niet te verwaarlozen is de mogelijke inbreng van de schoolarts op het domein van het signaleren, wanneer hij/zij tijdens het onderzoek door leerlingen in vertrouwen wordt genomen of zelf een vermoeden heeft.
De CLB-medewerker kan op de eerste plaats betrokken worden bij de planning en de uitvoering van het informatie- en sensibiliseringsproces bij ouders, leerkrachten en overige personeel.
Hij of zij wordt dan mede stuwende kracht bij de ontwikkeling van een gedragscode op de school die de afspraken vastlegt m.b.t. wie wat kan doen als er een pestgeval wordt opgemerkt.
Een eerste fase bij de ontwikkeling van deze code omvat de verzameling en rapportering van informatie over het pesten op school:
Waar komt het voor?
Wanneer en in welke vormen komt het voor?
Welke risicofactoren of beschermende aspecten kent de school.

Diverse doelgroepen dienen voor deze afspraken gesensibiliseerd te worden.
Heel concreet denken we dan aan de organisatie van een ouderavond over pesten of een pedagogische studiedag voor leerkrachten. In de praktijk zal dat vaak betekenen dat de CLB-medewerker lid wordt van een werkgroep "Pesten op school".

7. Acties op klasniveau (CLB)
 
De rol op het niveau van de klas is minder duidelijk en vaak ook minder gewenst.
Het best zijn het de leerkrachten zelf die de discussie met de leerlingen aangaan over het pesten en klasafspraken maken in de groep. Verdere navorming voor de leerkrachten zoals bvb. m.b.t. actieve werkvormen kan echter noodzakelijk blijken. Op dat moment moeten de pedagogische begeleiding of de centra voor navorming instaan voor de uitwerking of de organisatie ervan. Desgevallend kan een deel van de organisatie of uitwerking opgenomen worden door het CLB-team.
Het is duidelijk dat er voor een CLB-team heel wat te doen valt. Het kan een gunstige invloed hebben op de evolutie van het project in de school, niet het minst omdat de CLB-medewerkers als externe deskundigen meer ruimte en armslag kunnen hebben voor de uitvoering van bepaalde onderdelen.

8. Acties op individueel niveau (CLB)
 
De rol en deelname van de CLB-medewerker op het individuele niveau lijkt voor scholen een evidente verwachting. Zoals hoger al aangegeven, is die toegespitst op de analyse van problemen, ervaren door leerlingen die pesten of gepest worden. Zo kunnen ze meer dan leerkrachten inspelen op de reële behoeften bij leerlingen die pesten of gepest worden al dan niet in samenwerking met de ouders.
Het biedt tevens de mogelijkheid een tussenschakel te zijn bij de doorverwijzing naar meer gespecialiseerde instanties wanneer uit de probleemanalyse blijkt dat meer gespecialiseerde hulp nodig is. (Bron : http://www.sasam.be )

2.10. De No-Blame methode

In vele scholen wordt de No Blame-aanpak gevolgd bij het bestrijden van pesten. Dit is een niet bestraffende, maar probleemoplossende strategie om met pestproblemen om te gaan en is gebaseerd op het boek 'Een schreeuw om hulp'.

Bij de No Blame-aanpak wordt de verantwoordelijkheid voor een pestprobleem bij de groep gelegd. De pester(s), de meelopers en een aantal neutrale medeleerlingen worden samengebracht en gaan op zoek naar mogelijke oplossingen.

Niet het beschuldigen van de pester, maar het negatieve gevoel van het slachtoffer is het uitgangspunt van de gesprekken. De groep krijgt de verantwoordelijkheid om een aantal voorstellen te doen om het negatieve gevoel bij het slachtoffer weg te nemen of te verminderen. Op die manier wil men de empathie van de pester en de medeleerlingen aanwakkeren.

Een school met een goede preventieve aanpak ziet het aantal pestgevallen dalen. Toch zullen pesterijen nooit helemaal verdwijnen.

Hier volgt een kort overzicht van de verschillende stappen die ondernomen worden :

STAP 1 : gesprek met het slachtoffer
Als de begeleider vaststelt dat er wordt gepest, start hij een gesprek met het slachtoffer. Tijdens dat gesprek moedigt de luisteraar het slachtoffer aan om te vertellen hoe hij zich voelt. Het is dus niet de bedoeling om feitelijk bewijsmateriaal te verzamelen over de gebeurtenissen.
Het is belangrijk dat het slachtoffer het proces begrijpt en zijn toestemming geeft. Soms leeft de angst dat het nog erger zal worden, maar als het niet bestraffende aspect volledig duidelijk is, voelt het slachtoffer zich meestal veilig en opgelucht dat er iets gedaan wordt.
Het slachtoffer wordt niet gevraagd deel uit te maken van de groep om zijn eigen verhaal te doen, omdat hij dan misschien zou beschuldigen en daarmee rechtvaardiging zou kunnen uitlokken. Dat zou de probleemoplossende aanpak kunnen ondermijnen!

STAP 2 : bijeenkomst met de betrokken leerlingen
De begeleider regelt een bijeenkomst met een groepje van 6 à 8 leerlingen die betrokken zijn bij het pesten en die door het slachtoffer zijn voorgesteld. Deze betrokken leerlingen zijn zeker niet allemaal pesters! De begeleider zorgt ervoor zijn eigen oordeel te laten meespelen bij de groepssamenstelling, zodat behulpzame en betrouwbare leerlingen erbij zijn naast diegenen die de ellende bij het slachtoffer veroorzaakt hebben. Het doel is de kracht van de groepsleden te gebruiken om het best mogelijke resultaat te krijgen.

STAP 3 : leg het probleem uit
De begeleider begint met aan de groep te vertellen dat hij een probleem heeft. Hij is bezorgd over een leerling die het erg moeilijk heeft op dat moment. De begeleider vertelt het verhaal van het negatieve gevoel van het slachtoffer en gebruikt de tekst of tekening die het slachtoffer eventueel maakte om de pijn te benadrukken. Hij praat op geen enkel moment over de details van de gebeurtenissen en beschuldigt niemand.

STAP 4 : deel de verantwoordelijkheidAls het verhaal rond is, zou het kunnen dat de luisteraars er teneergeslagen of ongemakkelijk uitzien en dat ze onzeker zijn over de reden van de bijeenkomst. Sommigen kunnen ongerust zijn over mogelijke straffen. De begeleider verandert de stemming door uitdrukkelijk te stellen dat :
• niemand in de problemen zit of zal gestraft worden
• er gedeelde verantwoordelijkheid is om de leerling te helpen zich gelukkig en veilig te voelen
• de groep is bijeengeroepen om het probleem te helpen oplossen

STAP 5 : vraag naar de ideeën van elk groepslid
De leden van de groep zijn meestal oprecht geraakt door het verhaal en opgelucht dat zij niet in de problemen zitten. Ze geven geen toestemming meer voor de voortzetting van het gedrag. Elk lid van de groep wordt aangemoedigd om een manier voor te stellen waarop het slachtoffer kan worden geholpen om zich gelukkiger te voelen. Deze ideeën moeten worden genoteerd in de intentionele "ik-taal" en komen van de groepsleden zelf. Ze worden niet door de begeleider opgelegd.

STAP 6 : laat het aan hen over
De begeleider beëindigt de bijeenkomst en legt de verantwoordelijkheid om het probleem op te lossen bij de groep. Er wordt geen schriftelijk verslag gemaakt, het is een kwestie van vertouwen. De begeleider dankt hen en drukt zijn vertrouwen uit in een positieve afloop. Er wordt afgesproken dat de begeleider elk lid van de groep afzonderlijk zal spreken om te horen hoe alles loopt.

STAP 7 : spreek hen opnieuw
Ongeveer een week later spreekt de begeleider met elk groepslid en met het slachtoffer over de stand van zaken. Deze gesprekken zijn met elk groepslid afzonderlijk, zodat elk van hen kan vertellen over zijn bijdrage zonder een competitieve sfeer te creëren. Het speelt geen rol of iedereen zijn voornemen heeft uitgevoerd, belangrijk is dat de pesterijen gestopt zijn. Het is niet nodig dat het slachtoffer de meest populaire leerling van de school is geworden, zolang hij zich maar veilig en gelukkig voelt. Vraag de verschillende groepsleden in hoeverre
zij hun voorstellen uitvoerden en hoe zij zich daarbij voelen. Eventueel motiveer je hen om
een nieuw voorstel te bedenken. Door afzonderlijk met de groepsleden te spreken, kunnen
zij zich niet achter elkaar verstoppen. Op die manier heerst er geen competitieve sfeer. Vraag ook aan de gepeste hoe hij zich de voorbije week voelde, of hij veranderingen opmerkte
in het gedrag van andere kinderen en hoe hij daarmee omging. Wanneer een nieuwe groepsbijeenkomst nodig blijkt, kan je samen met de gepeste kiezen voor een andere samenstelling.

2.11. Praktische en concrete tips:

young boy by greyman rgbstockfreeVoor leerkrachten

Leerkrachten merken wel vaker dat een kind zich niet lekker voelt of niet goed valt in de groep. De manier waarop pesten gewoonlijk gebeurt, samen met het zwijgen van de leerlingen, maken dat ook hier informatie ontbreekt. Jammer genoeg wordt pesten zowel voor scholen als ouders soms pas duidelijk op het ogenblik dat zich eerder extreme gevolgen voordoen.
De realiteit leert ons dat ouders en leerkrachten uiterst weinig met pestkoppen over het pesten spreken. Pestkoppen gaan meestal vrijuit.

De leerkrachten moeten
• oog hebben voor details die op pesten wijzen,
• agressie voorkomen,
•eerlingen meer eigen verantwoordelijkheid geven en hen evalueren op het nemen van die verantwoordelijkheid. (Dit kan door even tijd uit te trekken in de les als er zich een pestsituatie voordoet om samen met de klas die situatie te analyseren en op te lossen.)
• leerlingen leren

 

o creatief om te gaan met schoolfrustraties en werken aan stressbestendigheid, assertiviteit, behoud van hun eigen identiteit
o leren beslissen in functie van hun eigen aanvoelen en leren consequent zijn in die beslissingen
o leren luisteren naar elkaar
o leren hun mening herzien op basis van valabele argumentatie en niet op basis van bedreiging of emotie

 

• de klas vanaf eerste schooldag met duidelijke afspraken begeleiden om de onderlinge strijd tussen leerlingen in goede banen te leiden;
• zelf als leraar respect afdwingen door een positieve manier van leiding geven
• respect hebben voor de leerlingen en hun problemen en hun emoties
• van pesten een lesthema maken ; samen met de leerlingen een ‘antipestverdrag’ opstellen
• oog hebben voor details die op pesten wijzen
• onvoorwaardelijke en onmiddellijke hulp bieden aan het slachtoffer
• gesprek voeren met pester en zijn ouders

Voor leerlingen

Het pesten is, zoals hoger aangegeven, een zaak van meerdere kinderen. We kunnen onderscheid maken tussen groepjes leerlingen die actief bij het pesten betrokken zijn.
Binnen die groepjes kan een centrale figuur of aanvoerder gevonden worden. Soms zijn het enkele kinderen die in deze voortrekkersrol samenspannen. Daarnaast kan die voortrekker of 'leider' rekenen op de hulp van anderen. Ze kunnen meelopers genoemd worden of supporters. Hun rol is die van aangever, helper, op wacht staan, koor vormen en dergelijke meer. Ze zijn wel degelijk actief betrokken bij het pesten.
Er zijn de meer passieve getuigen. Dat zijn leerlingen die het pesten zien gebeuren, maar niet tussenkomen. We zullen ze verder neutrale leerlingen uit de middengroep noemen. Hun rol mag niet worden verwaarloosd. Uiteraard zijn er de gepeste kinderen (een of meer) zelf. Dat zijn kinderen die voortdurend het mikpunt zijn van pesterijen.
(Bron :  http://www.sasam.be/aanpak_op_school.html )

2.12. Karakteropvoeding door leraren

Wetenschappelijk onderzoek (Berkowitz & Bier, 2005) uit de VS legt heel sterk de nadruk op karakteropvoeding als een krachtig instrument om cyberpesten terug te dringen. Karakteropvoeding refereert naar een breed scala van schoolgebaseerde strategieën ontwikkeld om een positieve psychologische ontwikkeling van kinderen teweeg te brengen, vooral om hen te leren om verantwoordelijkheid op te nemen voor hun eigen daden en moreel te leren denken en te handelen. Dit kan het best doordat in het schoolcurriculum expliciet maatschappelijk vormende lessen opgenomen worden. Gelukkig gebeurt dit in Vlaanderen al heel sterk met het pakket Leefsleutels ( http://www.leefsleutels.be/ ) In Nederland is er momenteel veel belangstelling voor de zogenaamde Kanjertraining, een pakket dat vergelijkbaar is met Leefsleutels en veel werkt rond sociale vaardigheden, met elkaar leren omgaan en morele vorming. ( http://www.kanjertraining.nl/ )
Binnen deze pakketten moet dringend aandacht komen voor de veranderende vormen van pesten en moeten jongeren op een speelse manier informatie krijgen over de gevaren en risico’s van het cyberpesten.

2.13.Mogen leraars GSM afpakken of in boekentas kijken.

Mag een leraar of de directie een GSM in beslag nemen om die te onderzoeken of ermee gepest is.
Het lijkt ons niet verboden als een docent een telefoon voor bijvoorbeeld een uur of gedurende een schooldag inneemt als een leerling zich niet aan afspraken houdt en bijvoorbeeld belt of sms’t tijdens de les. Het lijkt wel verboden als de docent bijvoorbeeld meerdere dagen iets afneemt.
In principe moet een leraar een afgepakte GSM ’s avond teruggeven. Maar vermoedelijk bestaat er geen jurisprudentie over dit soort dingen zodat het onduidelijk is wat een rechter zou beslissen mocht een leraar of de school toch langer een GSM in beslag nemen.
De vraag blijft wat er met de GSM mag gebeuren. Mag de directie of de leerkracht nakijken welke berichten verzonden werden of wanneer er gebeld werd. In twijfelsituaties rond cyberpesten is het aan te raden bij ernstig misbruik de politie te waarschuwen en niet op eigen houtje op onderzoek uit te gaan. De kans bestaat immers dat ouders klacht kunnen indienen wegens schending van de privacy.
Het is aan te raden in dien men een GSM afneemt de leerling te vragen de GSM met een paswoord te beveiligen en uit te zetten.
Het lijkt tevens belangrijk duidelijke en voor alle leraren gelijke regels op te maken en die via een schoolreglement aan de leerlingen kenbaar te maken.. Men zou bijvoorbeeld kunnen voorstellen in het statuut een maximum te stellen aan ‘innametijd’, bijvoorbeeld een schooldag (dus dat de leerling de telefoon aan het eind van zijn schooldag terugkrijgt) of een lesuur. De krant De Morgen berichtte op 31/03/2006 dat leraars en schooldirecteuren ook de boekentassen van leerlingen nooit mogen controleren of inkijken. Dit antwoordde minister Frank Vandenbroucke in het Vlaams Parlement aan Veerle Heeren. Aanleiding voor de parlementaire vraag was een school uit Diest, die het schoolreglement zo wilde aanpassen dat de leerlingen de controle van hun boekentassen zouden toelaten. De school wilde vermijden dat leerlingen drugs of wapens zouden meebrengen. Het napluizen van de boekentas zou ook kunnen helpen bij het opsporen van cyberpestgedrag. Vandenbroucke oordeelde dat dit controleren volledig in strijd is met de privacywet. Wel kan aan een leerling gevraagd worden om zijn of haar boekentas leeg te halen. Als de student dat weigert kan de school aan de politie vragen om de tas te onderzoeken.

2.14 Cyberpesten, de school en het CLB Grensoverschrijdend gedrag wordt virtueler. (artikel van Daniël DEBLOCK in Welwijs, 2014 , jg 25 nr.3)

Steeds vaker worden CLB's geconfronteerd met vragen over grensoverschrijdend gedrag in alle mogelijke vormen. Een vrij recentfenomeen is het cyberpesten. Dit neemt soms zeer extreme vormen aan waarbij niet enkelleerlingen en hun ouders of familie,  maar ook de buurt en zelfs de volledige gemeente betrokken zijn . Aan de andere kant is het niet enkel de klas van de betrokken leerling( en}, maar evengoed de volledige school en zelfs de scholengemeenschap die onder vuur komen te liggen. Dat is zeker het geval wanneer maatregelen worden genomen met het oog op verwijdering of definitieve uitsluiting als gevolg van sociale druk of ter preventie van ergere feiten.

Tips vanuit het CLB naar de school.

1.Bekijk het fenomeen cyberpesten niet op zich, maar kader het in een ruimere context waarbij rond alle aspecten van "grens­ overschrijdend gedrag" wordt  gewerkt  in  een  poging  inzicht te bieden in de effecten van dit  gedrag  op  slachtoffers,  da­ ders en hun familie. Vertrek daarbij van een "whole school approach" die elke stakeholder in de school betrekt en waar­ bij  het  creëren  van  een  veilige  leefomgeving  centraal  staat. Meer informatie over de 'Whole school approach' is o.m. te vinden in: "Pesten en geweld op school: Handreiking voor een daadkrachtigschoolbeleid "(Gie Deboutte) i.o.v.Minister F. Van­ denbroucke. Dit document kan gratis worden gedownload via www.pestenengeweldopschool.be

2.Open, indien nodig, een dialoog met de hele scholengemeen­ schap en werk op dit niveau een schooloverstijgende visie uit m.b.t. leerlingenbegeleiding en het beantwoorden van grens­ overschrijdend gedrag omdat de effecten waarschijnlijk niet be­ perkt blijven tot één school en haar reputatie. lsoleer daarom het cyberpesten niet tot één feit : communicatie die via het inter­ net gebeurt verspreidt zich zeer snel in de school en ver daarbui ­ ten- de reputatie van de hele scholengemeenschap  kan op het spel staan. Betrek de inrichtende macht.Werken op dit niveau laat bovendien toe dat in de toekomst con­ gruent kan worden opgetreden door te streven naar uniformiteit in aanpak en maatregelen (schooloverstijgend reglement met duidelijke stappenplannen).
Als laatste element in het pleiten voor een aanpak op dit niveau lijkt het me van belang te kiezen welke instrumenten school­ overstijgend zullen worden gebruikt of welke diensten en pro­ gramma's of vormingen zullen worden ingeschakeld . Dit kan van belang zijn wanneer alle scholen binnen één scholengemeen­ schap willen komen tot één gemeenschappelijke visie m.b.t. leerlingenzorg  en -begeleiding,  inclusief  de aandacht voor  orde -en tuchtmaatregelen . Daarnaast kan deze keuze bepalend  zijn voor het navormingsplan: alle leerkrachten krijgen eenzelfde op­ leiding of navorming en vertrekken daardoor  in hun handelen vanuit dezelfde basisprincipes, waarden en normen . Een dergelij­ ke vorming kan pas effectief zijn wanneer de inrichtende  macht en de directies vooraf de gemeenschappelijke visie geïmplemen­ teerd kregen in elke aparte school van de scholengemeenschap.

3.. Betrek de ouders en het oudercomité in deze problematiek: oor­zaken van pestgedrag en zeker in het geval van cyberpesten lig­ gen vaak buiten de schoolmuren en moeten ook daar worden aangepakt. Het CLB kan partnerorganisaties en experten voor­ stellen die hulp bieden aan ouders die zelf zoeken naar onder­ steuning in hun opvoeding of die zelf meer willen leren over het veilig gebruik van internet.  Er zijn echter tal van tools en methodieken op de markt die, naarge­ lang de situatie en het doelpubliek, een passend antwoord kunnen bieden op vragen van ouders of begeleiders van jongeren. (zie educatief materiaal op deze website)

Lees hier het integrale artikel. (Copyright bij de auteur Daniel de Block en Welwijs)

3. Ouders sturen steeds meer (hate)mails

Niet alleen kinderen pesten. Ook ouders laten zich soms niet onbetuigd. Nu kan je moeilijk spreken van cyberpesten, maar ouders durven leraren of directie ook wel eens bestoken met haatmails. Het tijdschrift Klasse voor leerkrachten berichtte over het fenomeen.

“Het is absoluut tijd dat er aan Marieke gedacht wordt i.p.v. constant aan de klasleraar. Het is tenslotte hij die een kind in nood genegeerd heeft.” “De rekenmachine (merk Texas Instrument TI-40, lichtblauwe kleur) van onze zoon is vandaag uit zijn rugzak verdwenen. Mogelijks is ze ontvreemd.”
“Ik beschouw met deze mail de school als verwittigd. (…) Zonder passende reactie zie ik mij genoodzaakt verder te gaan. Dit zijn maar enkele passages uit e-mails die scholen vandaag van ouders ontvangen. Die gebruiken steeds meer e-mail als communicatiemiddel met de school van
hun kinderen. «Dat gaat ver, tot anonieme hatemail toe», getuigt directeur Ronald Severijns van het Sint-Janscollege in Meldert. Op het secretariaat komen daar elke dag praktische en zakelijke mails binnen - verzoeken om de school te verlaten voor doktersbezoek,berichten van ouders aan leraren, vragen om info – maar even goed zitten daar mails tussen die niet eenduidig te beantwoorden zijn. De
directeur krijgt ook ‘treur- en klaagmails’ binnen, naast klachten- en scheldberichten die leraren aanvallen, hart-op-de-tong-mails, elektronische boodschappen ‘waarin ouders proberen te bereiken dat hun kind wordt gedelibereerd’. «Ik beantwoord die allemaal zelf», aldus Severijns, «want veel meer dan in een telefoontje of tijdens een persoonlijk gesprek moet je in een mail je woorden wikken en wegen. Ze krijgen immers eeuwigheidswaarde en kunnen tegen de school worden gebruikt. Zo zag ik stukken uit mijn mailcorrespondentie met een ouder opduiken in een klachtendossier bij de Commissie voor Zorgvuldig Bestuur.». Ook in veel andere (basis)scholen tonen ouders van leerlingen zich enthousiaste mailers, al loopt het nog niet overal zo’n vaart.
(Klasse, maart 2006 ,nr163)

4. Belang van ondersteunende diensten.

Een anti-pestbeleid uitstippelen op school is een zaak voor de school zelf. Maar uiteraard moeten alle schoolbetrokken partijen mee over het beleid nadenken en toepassen en problemen helpen oplossen. Het is bijgevolg niet alleen van belang dat leerkrachten op de hoogte zijn van hoe kinderen elkaar momenteel pesten en hoe daar mee om te gaan, maar ook bijvoorbeeld de Centra voor Leerlingenbegeleiding moeten zich informeren over de nieuwste pesttechnieken bij jongeren. Verder zijn er nog diensten waarop scholen beroep kunnen doen zoals het Steunpunt Grensoverschrijdend Gedrag op School, geleid door vzw Limits. ( www.limits.be )

Toen in 2002 de nieuwe federale wet over Geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op het werk eraan kwam, liet het departement Onderwijs een instrument ontwikkelen om pesten op school aan te pakken en te voorkomen: het Beleidsplan ter preventie en bestrijding van geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op school. De wetgeving over geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op het werk is enkel van toepassing op leerkrachten en op een beperkt aantal leerlingen, bv. die met een leerovereenkomst. De meeste leerlingen worden dus niet beschermd door die wet. Maar het genoemde beleidsplan besteedt evenveel aandacht aan de preventie en aanpak van het probleem bij leerlingen als bij leerkrachten. De map is uiterst actueel en ging gratis naar alle scholen. Ze is ook te vinden via  http://www.ond.vlaanderen.be/antisociaalgedrag/beleidsplan/  Ook over cyberpesten is daar informatie te vinden.
Een ander interessant document dat rechtstreeks van internet te downloaden is, is de publicatie Klikvast, ook op de informatiesnelweg Tips voor veilig ICT-gebruik op school. Gids voor leraren, directies en ICT-coördinatoren over de mogelijke gevaren van ICT-gebruik. De gids biedt informatie, concrete tips en richtlijnen over veilig ICT-gebruik en past in een ruimere sensibiliseringscampagne van de overheid. De gedrukte brochure is uitgeput, maar ze is integraal raadpleegbaar via de website
http://www.ond.vlaanderen.be/ict/ondersteuning/veilig_ict/Veilig_internet_tips.pdf

5. Hebben scholen voldoende greep op het pesten op school ?

Onderwijspedagoge Marion van Hattum is niet overtuigd dat de aanpak op school altijd even efficiënt gebeurt. Leerkrachten hebben nauwelijks greep op pesten, beweert ze. Nederlandse pestprogramma's hebben nauwelijks effect. Dat komt omdat ze geen rekening houden met de manier waarop leraren en leerlingen het pesten op school beleven. Marion van Hattum promoveerde in 2004r aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar dit onderwerp.

Ze concludeert onder meer dat leraren en leerlingen het pesten anders beleven, zo anders zelfs dat leraren de pesters in een klas maar moeilijk herkennen. Pesten geeft leraren dan ook eenAsking help by Lusi Rgbstock machteloos gevoel. Leerkrachten plaatsen de oorzaak van pestgedrag buiten zichzelf. Aanvankelijk had Van Hattum de opdracht een programma te ontwikkelen om het pesten op scholen tegen te gaan. Maar toen ze ging kijken naar wat er op dat terrein in Nederland allemaal was ontwikkeld, stuitte ze op een 'bom van informatie'. Van Hattum lacht: 'Er bleken al talloze pestprogramma's te bestaan. Dus om er nu weer een aan toe te voegen, leek me niet zo zinvol.' Over het effect van de Nederlandse pestprogramma's bleek veel minder bekend. De enkele studies die er waren, toonden aan dat het pesten er zeker niet door verminderde. Van Hattum vroeg zich af hoe dat kwam. Temeer omdat er in Engeland en met name Scandinavië met vergelijkbare programma's wel goede resultaten werden geboekt.

Ze ontdekte dat er in het buitenland veel meer begeleiding was bij het invoeren van de pestprogramma's. 'In Nederland worden de programma's opgestuurd, en als de school geluk heeft wordt er nog een themamiddag georganiseerd. Verder is er geen nazorg', zegt Van Hattum. 'Geen wonder dus dat de programma's bij de meeste scholen ongebruikt in de kast blijven staan.' Gesprekken met leraren bevestigden haar vermoedens. De leraren konden haar precies vertellen waar de pestmappen stonden op school. Maar om ze nu te pakken? Nee, daar kwamen ze niet aan toe. 'Leraren hebben het al druk genoeg met hun normale lesprogramma's vertelde Van Hattum. 'Daar wordt te weinig rekening mee gehouden. Onderzoekers en beleidsmakers denken dat het een goed idee is om op scholen iets tegen het pesten te doen, omdat daar veel kinderen bij elkaar zitten. En dat is natuurlijk ook handig. Maar of de school dat ook zo handig vindt, vragen zich niet af. Leraren zelf zeggen bijna allemaal: En de ouders dan?'

In haar eigen onderzoek vroeg ze zich af hoe de leerkrachten zelf eigenlijk tegen het pesten aankijken. Vinden ze het pesten wel erg? Hoe beleven ze het in de klas? Wat doen ze er tegen? En hoe beleven de leerlingen het pesten eigenlijk? Ze schreef 217 basisscholen aan met de vraag of ze wilden meedoen. In totaal deden er 280 klassen mee waarbij 228 leraren en 6430 leerlingen.

Van Hattum stelde vragenlijsten op voor leerkrachten met vragen als: Wie zijn de pesters en wie zijn de slachtoffers in jouw klas? Vind je het percentage pesters belastend? Doe je er iets tegen? Daarnaast kregen de leerkrachten een paar hypothetische situaties voorgelegd, zoals bijvoorbeeld: 'U neemt een dictee af bij uw groep. Rachida doet erg haar best om netjes te schrijven. U ziet dat Ismaël Rachida een zet geeft tegen haar arm, zodat er een kras op haar papier komt.' Op een vijfpuntsschaal moesten de leerkrachten aangeven of ze deze situatie 'vrij normaal' dan wel 'heel erg' vinden.

De leerlingen moesten dezelfde situaties beoordelen, en moesten daarnaast van zichzelf aangeven of ze zichzelf een pester, een slachtoffer of een buitenstaander van pestsituaties vinden.
Van Hattum kwam er achter dat leraren het pesten weliswaar een kwalijke zaak vinden, maar dat ze er eigenlijk niet zoveel tegen doen. Het blijft bij wat praten met leerlingen, en sommige leraren schakelen de ouders in. 'De meeste leraren hebben het gevoel dat ze geen invloed hebben op het pestgedrag', verklaart Van Hattum. 'Ze denken dat pesten of gepest worden dingen zijn die te maken hebben met het karakter van de leerlingen. Vaak leggen leerkrachten de oorzaak van pestgedrag ook bij de thuissituatie. Dit kind pest omdat het altijd al is blootgesteld aan geweld en agressie thuis. Niet vreemd dus, dat hij dit gedrag ook op school vertoont. Leraren moeten dus het gevoel krijgen dat ze iets aan het pesten kunnen doen, dan zullen ze geneigd zijn er ook daadwerkelijk iets aan te gaan doen, was de conclusie (Mirke Beckers 26-05-2004  www.pestweb.nl )

6. Antipestbeleid werkt maar je moet het wel volhouden.

Minne Fekkes, onderzoeker bij TNO Kwaliteit van Leven sluit hier met zijn onderzoek bij aan en promoveerde in juni 2005 over de thematiek van het pesten op school.
Zo bleek dat 16% van de kinderen uit de laatste drie groepen van de basisschool aangaf minimaal enkele malen per maand te worden gepest. 5.5% van de kinderen zei zelf te pesten. De meester of juf was vaak niet op de hoogte, want slechts 53% van de gepeste kinderen vertelde het hun.
Maar ook ouders weten lang niet altijd dat hun kind gepest wordt; een derde van de gepeste kinderen vertelde daar thuis niets over. Jongens pesten vaker op een fysieke wijze, meisjes pesten subtieler, door uitsluiting of roddelen.

Fekkes onderzocht de relaties tussen pesten enerzijds en een heleboel andere zaken anderzijds, waaronder de – geestelijke - gezondheid van kinderen, het hebben van vriendjes of vriendinnetjes, en de relatie tussen actief pesten en delinquent gedrag. Daarnaast onderzocht hij of pestbeleid helpt. Hij zette een interventiestudie op waarbij hij 47 basisscholen betrok. Hij mat hoe vaak er gepest werd, voerde een antipestbeleid in, en volgde de scholen twee jaar lang. Aan het eind van het eerste schooljaar deed hij een tweede meting. Het goede nieuws: antipestbeleid bleek er wel degelijk te werken. Aan het eind van het eerste jaar werden er op scholen met het interventieprogramma slechts zeven kinderen gepest tegenover tien in de controlegroep. Het slechte nieuws: weer een jaar later, bij de volgende meting, was het effect verdwenen. ‘Dat komt waarschijnlijk doordat scholen het als een eenjarig project zagen’, zegt Fekkes. ‘Het jaar erop richtten ze hun aandacht weer op een ander prangend probleem, zoals overgewicht bij kinderen. En dan lieten ze het beleid verwateren en voerden minder maatregelen uit. Ze namen de jaarlijkse pesttest bijvoorbeeld niet meer af.’

Omdat de helft van de kinderen niet aan de leerkracht vertelt dat ze worden gepest is het heel belangrijk dat die leerkrachten ernaar vragen in gesprekken met de ouders, meent Fekkes: ‘Dat zou kunnen ter sprake komen in de periodieke tien-minuten-gesprekken die in veel scholen plaatsvinden. Scholen zouden in hun schoolplan of op hun website hun antipestbeleid openbaar moeten maken. Ouders moeten worden uitgenodigd het te melden als hun kind wordt gepest. Op websites zie je het tegenwoordig overigens wel wat vaker staan, omdat scholen meer reclame gaan maken. Met het pestprotocol profileren ze zich dan.’ Omdat scholen continu de vinger aan de pols zouden moeten houden ziet Fekkes ook een taak weggelegd voor beleidsmakers. ‘Als duidelijk is dat er inderdaad een effectief programma is, een goed instrument, zou de overheid scholen moeten stimuleren dat te gebruiken.

Fekkes zag een verband tussen actief pestgedrag en delinquent gedrag. ‘Bij deze leeftijdsgroep hebben we het dan vooral over vandalisme, dingen in de fik steken en zo.' Het gaat daarbij hoofdzakelijk om jongens. Niet alleen is er een verband op het tijdstip van het pesten zelf, pesten blijkt ook een voorspellende waarde te hebben voor delinquent en agressief gedrag in de toekomst. Frequente pesters hebben een grotere kans om achttien maanden later delinquent gedrag te vertonen. Fekkes: ‘Pesten kan dus een signaalfunctie hebben, het kan wijzen op een breder problematisch gedrag op een later tijdstip. Andersom bleek ook dat delinquente jongens die niet pestten achttien maanden later een grotere kans hadden om wel te pesten dan niet-delinquente jongens. Ook hier is het dus weer zaak om vroeg in te grijpen. Dan kun je nog therapieën aanbieden, en de thuissituatie onder de loep nemen.’ Want uit eerder onderzoek kwam naar voren dat een harde opvoedingsstijl, met ouders die slaan, een grotere kans op pestende kinderen geeft.

7. Nationaal onderwijsprotocol tegen pesten in Nederland

De vier landelijke organisaties voor ouders in het onderwijs in Nederland ontwikkelden enkele jaren geleden een onderwijsprotocol tegen pesten. Tegelijkertijd werd een brochure uitgegeven met handvatten voor scholen om een beleid tegen pesten te ontwikkelen. Het is de bedoeling dat alle geledingen in een school: bestuur, ouderraad, medezeggenschapsraad en team zich afvragen hoe de school een veiliger plaats kan worden voor leerlingen. Als ze het daar samen over eens zijn geworden, kunnen ze dat bekrachtigen door het protocol te ondertekenen. Lost by wendy lee RGBstock
Er worden zes aanbevelingen gegeven om pesten op school aan te pakken, van elke aanbeveling worden uitwerkingen gegeven.
Samengevat luiden deze:

1. Pesten moet worden onderkend als probleem door alle betrokkenen: kinderen die gepest worden, pestende kinderen, meelopers, afzijdige kinderen, leerkrachten en ouders.
Daartoe zijn voorlichtings- en studiebijeenkomsten nodig voor leerkrachten en ouders. Ook kunnen informatiebrochures aan ouders worden verstrekt.
2. De school probeert pesten te voorkomen.
Leerkrachten proberen een veilige sfeer te scheppen in hun klas. Er kunnen projecten in de klassen worden uitgevoerd over pesten en omgaan met elkaar. Ook kan worden gewerkt aan het gezamenlijk opstellen van klasseregels. Er kan gewerkt worden aan de hand van video's of toneelproducties.
3. Leerkrachten zijn in staat om pesten te signaleren als het toch optreedt.
Zij kunnen hierin worden geschoold. Ook zijn er enkele boeken en brochures die aangeven op welke signalen gelet moet worden.
4. Leerkrachten nemen duidelijk stelling als ze merken dat leerlingen worden gepest.
Heel belangrijk is hierbij het invoelend vermogen van de leerkrachten. In diverse trainingen wordt hier aandacht aan besteed.
5. De school beschikt over diverse aanpakken als er gepest wordt.
Leerkrachten kunnen worden geschoold in diverse methoden om pestproblemen aan te pakken. Daarnaast kunnen ze ook hulp van anderen inschakelen. De methoden zijn gericht op het pestende kind, het gepeste kind en op de klas als geheel.
6. Er is een vertrouwenspersoon, die klachten van leerlingen en ouders over het pestbeleid op school kan indienen bij een klachtencommissie.

(bron : http://www.sjn.nl/pesten/ )

8. Voorzichtig beleid in het gebruiken en verspreiden van gevoelige informatie van leerlingen.

Voorkomen is beter dan genezen. Scholen plaatsen vaak foto’s van leerlingen van allerlei activiteiten op de schoolwebsite. Op zich is daar uiteraard niets op tegen, maar men moet er zich van bewust zijn dat deze foto’s juist gebruikt kunnen worden om met fotobewerkingsprogramma’s leerlingen eruit te knippen, te vervormen, op andere lichamen te plakken, enz. om ze dan op pestwebsites te plaatsen tot schande van de slachtoffers. Scholen spelen soms slordig om met foto's van uitstappen of schoolactiviteiten en delen dit op fotowebsites zoals Flickr . Maar is de school of enthousiaste leerkracht zich er wel van bewust dat leerlingen elkaar onderling kunnen pesten door dit soort foto’s in een iets andere hoedanigheid online te plaatsen, bijvoorbeeld op een leuke profielwebsite, waar ze onder iemands naam een profiel in elkaar knutselen waarbij ze aangeven dat betrokkene (vb meisje 14j) een “hete doos” is die seks wil met iedereen en dan daarbij het emailadres en GSM nummer vermelden.

Er zijn websites waar je dit snel en anoniem kunt uploaden.  De school kan dus best eerst toestemming vragen aan ouders of hun kind op de schoolwebsite mag prijken en opletten met het plaatsen van teveel individuele kinderen in close-up. Andere scholen plaatsen lijsten met namen en adressen en emailgegevens van (oud-) leerlingen op het internet. Ook hier moet toestemming aan de ouders gevraagd worden of aan de betrokkenen zelf indien ze meerderjarig zijn. Er zijn voorbeelden bekend waar leerkrachten foto’s op het internet plaatsten met naam en andere persoonlijke gegevens zonder er bij na te denken welke risico’s men daarbij aan kinderen bezorgde. Ouders werden nooit gevraagd of de foto’s gepubliceerd mochten worden. Ouders moeten bij het gebruik van foto’s altijd op de hoogte zijn en expliciet toestemming geven. Als men toch foto’s van kinderen tijdens activiteiten op het internet wil plaatsen, moet men die gegevens beschermen door een wachtwoord. Een digitale leeromgeving zoals Blackboard, N@tschool of Smartschool kan ook dienen om beveiligd foto’s voor ouders te verspreiden.

Verder moet de school haar netwerk zowel intern als extern goed beveiligen. Vooral basisscholen gaan soms nogal amateuristisch om met hun netwerk. In Vlaanderen mag men een ICT-coördinator aanstellen om het netwerk te bewaken en de nodige beveiligingen in te stellen. Maar heel vaak wordt die functie gereserveerd voor een leerkracht die zich een beetje meer interesseert voor computers dan een andere en is die zelf onvoldoende op de hoogte van beveiliging, firewalls, enz.

Natuurlijk is het dweilen met de kraan open, wanneer jongeren zomaar zelf al hun foto’s en persoonlijke gegevens op internet plaatsen. De communitysite www.sugarbabes.nl heeft 855.767 profielen, waar duizenden foto’s van jongeren op prijken die ze al dan niet zelf er op geplaatst hebben. Er zijn ook websites waar foto’s van fuiven of andere activiteiten te bewonderen zijn. Soms zijn jongeren dus zelf verantwoordelijk dat foto’s onoordeelkundig gebruikt gaan worden.

9. Digitale pesttest

In Nederland lanceerde minister van onderwijs Maria van der Hoeven op 26 oktober 2005 in het Oranje Nassau College te Zoetermeer de PestTest®, een instrument voor scholen om het pestgedrag van leerlingen te meten. Leerlingen geven door de test aan waar, wanneer en hoe op school wordt gepest en wat zij daarvan vinden. Kinderen maken de test in de klas en docenten kunnen vervolgens aan de resultaten zien of het antipest-beleid op hun school goed werkt, of dat ze er meer werk van moeten maken. Ook laten zij weten of het anti-pestenbeleid op school enig effect heeft. Door het afnemen van de PestTest® kunnen scholen een gericht beleid tegen pesten voeren. Het terugdringen en voorkomen van pesten draagt bij aan een veilig schoolklimaat voor alle betrokkenen bij school. In de PestTest is ook uitdrukkelijk cyberpesten opgenomen.
Via de PestTest® laten de pesters, hun slachtoffers en de klasgenoten, die het pesten moeten aanzien, anoniem weten of en hoe er wordt gepest en waar en wanneer het plaats vindt. De test levert de school informatie over de meest effectieve aanpak. De ’pesttest’ maakt een onderscheid tussen pesters, gepesten en de ’zwijgende leerlingen’.

Tien jaar geleden werd de eerste PestTest® uitgegeven. Vele scholen hebben de test gebruikt. In tien jaar tijd is er veel veranderd. Scholen beschikken nu over netwerken. En naast verbale en fysieke vormen van pesten is nu ook digitaal pesten actueel. Sms, internet, chat en msn worden veelvuldig misbruikt. Digitaal pesten is nog harder dan de bekende vormen. Het vindt volstrekt anoniem plaats en de herhaling is welhaast onbeperkt. De nieuwe PestTest® gaat in op deze nieuwe vormen en is geschikt voor netwerkgebruik. Leerlingen krijgen voorafgaand aan de test via de computer duidelijke uitleg over pesten en de test zelf. Zij kunnen zelf aangeven of zij dit willen horen of alleen maar lezen. Vooral voor leerlingen die (nog) moeite hebben met lezen, is de mondelinge toelichting tijdens de test een uitkomst. Het uiterlijk van de test is aantrekkelijk door een kleurrijke en aansprekende graffiti achtergrond. De PestTest® is getest door leerlingen en leerkrachten op verschillende scholen. De PestTest® is ontwikkeld voor leerlingen in de laatste jaren van de basisschool en de eerste jaren van het secundair onderwijs. (Meer info www.voo.nl/pesttest).

 

10. Materialen en tips voor leerkrachten

http://www.pestweb.nl/aps/pestweb/d/map3/

http://leraar.veilig.kennisnet.nl/

http://www.planet.nl/planet/show/id=1222161/contentid=519635/sc=36dc2f

Pesten, cyberpesten en steaming van leerlingen door leerlingen : preventie en aanpak. Richtlijnen voor scholen van het VVKSO. Scholen hebben in dit verband terecht heel wat vragen. De preventie en aanpak van cyberpesten verlopen voor een deel op dezelfde manier als bij het klassieke pesten. Wat we over pesten schrijven, is m.a.w.steeds van toepassing op cyberpesten. Lees hier de richtlijnen.

Literatuur

Deboutte, G (2008) Pesten en qeweld op school Hondreiking voor een doodkrochtig
schoolbeleid Vlaams Ministerie van Onderwiis en Vorming'
Young, S. (2012).Van pesten naar samenwerken. De supportgroep: oplossìngsgerichte aanpak bij pesten in school. Uitgeverij PICA Huizen Nederland
Limits VZW (2009) Interventieplan ter bescherming van eerlinqen tegen geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrog op school i o v de Vtaamse Minister van
Onderw¡js en Vorming, F Vandenbroucke

In de rubriek educatief materiaal vind je nog meer informatie en ook eigen gemaakte instrumenten om met cyberpesten om te gaan.

Is je school cybersafe? Hoe kan je van een webadres afleiden of een website betrouwbaar is of niet? Hoe richt je een computerklas zo ergonomisch en gezond mogelijk in? Wat kan een jongere doen als hij slachtoffer is van cyberpesten? Hoe organiseer ik als ICT-coördinator de beveiliging van het schoolnetwerk? Antwoorden vind je in de publicatie 'Veilig Online. Tips voor veilig ICT-gebruik op school'. Die brochure bevat up-to-date informatie over uiteenlopende onderwerpen. Naast algemene informatie krijg je tips, lesmateriaal en praktische richtlijnen. De bijhorende cd-rom bevat vijf lespakketten, lesmateriaal van diverse organisaties . Scholen vinden er ook een uitgebreide checklist 'Is mijn school cybersafe?' en een voorbeeldprotocol tussen school en leerlingen over gebruik van ICT-faciliteiten. Voor het eerst is er een Vlaamse versie van het succesvolle Nederlandse Diploma Veilig Internet. De brochure is bedoeld voor leraren, directies en ICT-coördinatoren. Deze brochure past in een sensibiliseringscampagne over veilig ICT-gebruik op school en werd opgesteld in samenwerking met Child Focus en het Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO). Jouw school ontvangt deze week een exemplaar en kan extra exemplaren bestellen via de publicatiedienst van het Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Lees meer in het persbericht 'Scholen krijgen tips om cyberpesten te voorkomen'
http://ond.vlaanderen.be/nieuws/2007p/1008-veilig-ICT.htm

Download de checklist 'Is mijn school cybersafe?'(pdf 60 Kb, 4 p.)
http://ond.vlaanderen.be/nieuws/2007p/files/1008-veilig-ICT-checklist.pdf

Pestspelen

•    Re :Pest  (geïnspireerd  op  het Finse KIVA-project  en ontwikkeld i.s.m. Hogeschool West-Vlaanderen). Link: http:/:www.howest.be/repest
•    Friendly ATTAC (interdisciplinair onderzoeksproject  in ontwik­ keling: samenwerking tussen UA, Ugent, VUB en Howest Gefinancierd  door  IWT Agentschap  voor  Innovatie door Wetenschap en Technologie) Link:  http://www.friendlyattac.be (in ontwikkeling oktober 2014)

11. Besluit

Scholen hebben een gelimiteerde autoriteit voor alles wat buiten de school gebeurt. Ouders vragen soms dat de school ingrijpt wanneer hun kind online wordt gepest, maar veel meer dan een gesprek met de klasgroep of het opzetten van een preventieprogramma kan men niet doen. Toch kunnen scholen een belangrijke rol spelen in het hele cyberpestgebeuren. Dat kan door eerst en vooral het pestprobleem een belangrijke plaats te geven in het leerprogramma en preventief te werken. Lessen rond pesten en cyberpesten, geïllustreerd aan concrete voorbeelden, leert kinderen de gevolgen van hun pestgedrag inzien en maakt hen attent op de grote psychische schade die anderen door onnozel kinderachtig pestgedrag kunnen oplopen. Vervolgens moeten ze kinderen aanleren hoe ze moeten reageren wanneer ze gepest worden en wat ze wel of niet moeten negeren bij cyberpesten. Ze moeten kinderen informeren wanneer ze hulp moeten inroepen van volwassenen en vooral wanneer politie ingeschakeld moet worden.Troubled Linda by coloniera RGBstock

Dit laatste moet zeker gebeuren wanneer er volwassenen met oneerbare bedoelingen in het cyberpesten betrokken geraakt zijn. Soms geraken kinderen verstrikt in een net van pesten en tegenpesten en doen ze in hun boosheid of onbezonnenheid dingen die gevaarlijk zijn zoals illegaal genomen naaktfoto’s uit kleedruimtes op het internet met persoonlijke contactgegevens van medeleerlingen publiceren met de boodschap dat ze zich aanbieden als call-girl of het vrijgeven van geheime medische of financiële informatie die kinderen ernstig kan schaden. Kinderen moeten weten dat als ze dit ontdekken, ze er onmiddellijk politie moeten bijhalen, zeker als ze ten gevolge hiervan door volwassenen lastig gevallen werden. Als er geen onmiddellijke fysieke bedreiging is, durven leerkrachten of andere begeleiders wel eens zeggen dat het allemaal niet zo erg is en wel voorbij zal gaan.

In de bijbel staat dat je ook je linkerwang moet aanbieden en dat je sterk en stoer moet zijn of maar moet terugpesten en dat het dan wel allemaal overgaat. Maar vele volwassenen beseffen niet dat woorden net zo hard kunnen kwetsen als lijfelijke aanvallen. Er bestaan meerdere voorbeelden van jongeren die zelfmoord pleegden na herhaaldelijk emotioneel gepest te worden waar begeleiders hen vooraf troostten of de hulpboodschappen negeerden met het idee dat het wel zou overgaan als ze maar wat geduld zouden hebben.

Zelfs als er geen cyberpesten op school plaatsvindt, kunnen scholen zich vrijwillig aanbieden om te helpen ontdekken waar het cyberpestgedrag vandaan komt. Verder kunnen scholen ouders proactief informeren over hoe kinderen elkaar pesten en wat ze kunnen doen om hun kinderen online te begeleiden en te beschermen. Dat kan gaan van het aanleren van eenvoudig computergedrag op informatieavonden tot het aangeven van trucjes om te achterhalen wie er pest en het leren emotioneel ondersteunen van een kind dat gepest wordt. In dit werk wordt elders uitgelegd hoe het cyberpesten precies gebeurt en hoe je jezelf of je kinderen ertegen kunt beschermen, hoe je afzenders van e-mail kunt blokkeren, hoe je headers met afzendergegevens kunt achterhalen, enz.

Veel moeilijker is het natuurlijk om kinderen met hun emotionele pijn te begeleiden. Het is gemakkelijk van op afstand tegen slachtoffers te zeggen dat ze het maar moeten negeren. Je kunt vertellen hoe laf cyberpesten is omdat de pester zich achter zijn computerscherm verbergt. Je kunt vertellen dat de pestkop zich alleen maar stoer, groot en machtig wil voordoen. Maar daarmee is de pijn die de pester aanricht niet opgelost en zal de pestkop ook niet stoppen. Iemand die gecyberpest wordt heeft verschrikkelijk veel steun, warmte , aanmoediging, begrip ,schouderklopjes en knuffels nodig. Het gepest worden van het slachtoffer is niet verholpen met een luisterend oor maar het slachtoffer vraagt er wel naar en zal er kracht en moed uit putten. Geen enkele begeleider mag dit minimaliseren. We moeten hun angst, vernedering en schaamte erkennen. Overreacting is zeker ook uit den boze. Overleg altijd met een kind dat om steun en raad vraagt, wat je het best kunt doen.

Onmiddellijk zonder medeweten van het kind leerkrachten, politie of andere diensten inschakelen is niet goed en schaadt het vertrouwen van het kind. Het kind zal terecht vrezen dat het nog erger gepest gaat worden als er iets van uitkomt. Het beste is samen met het kind bekijken welke stappen er gezet kunnen worden. Als er sprake is van seksueel misbruik bijvoorbeeld door het publiceren van oneerbare fotomateriaal van het slachtoffer is het toch raadzaam na eventueel overleg met de school klacht bij de politie in te dienen om te vermijden dat het materiaal dat vrijelijk op het internet staat in handen van gewetensloze pedofielen of kindermisbruikmaffiosi terecht komt.